Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
14-1219 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Groot aantal bekeuringen. Ingangsdatum toekenning bijstand. Maatregel. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Verordening. Ontbreken van wettelijke grondslag.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 8
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/272
RSV 2015/158
NJB 2015/1439
Gst. 2015/89

Uitspraak

14/1219 WWB

Datum uitspraak: 7 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (rechtbank) van 24 januari 2014, 13/3045 en 13/5428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Almere (appellant)

[Betrokkene 1] (betrokkene 1) en [Betrokkene 2] (betrokkene 2), beiden te [woonplaats]

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. J.B.M. Swart, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij. Betrokkene 1 is verschenen, bijgestaan door

mr. Swart.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 5 april 2013 heeft appellant aan betrokkenen met ingang van 11 december 2012 bijstand verleend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft appellant ingaande die datum de bijstand voor de duur van een maand verlaagd met 100% bij wijze van maatregel.

1.2.

Bij besluit van 10 september 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het tegen het besluit van 5 april 2013 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstand bepaald op 22 november 2012. De opgelegde maatregel blijft gehandhaafd, maar gaat eveneens in op 22 november 2012. Aan de besluitvorming over de maatregel heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene 1 een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Het grote aantal bekeuringen is betrokkene te verwijten. Hij is daardoor niet in staat gebleken om een nieuwe baan als taxichauffeur te aanvaarden en heeft aldus verwijtbaar gangbare arbeid verloren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar gedeeltelijk ongegrond is verklaard, het primaire besluit herroepen voor zover daarbij aan betrokkenen een maatregel is opgelegd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, overwogen dat het besluit om de maatregel op te leggen een deugdelijke grondslag ontbeert, omdat op grond van het bepaalde in artikel 13 van de Maatregelen- en Handhavingsverordening Publiekszaken 2012 (Verordening) noch de duur noch de hoogte van de maatregel kan worden vastgesteld.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt onder meer dat het college, indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, de bijstand overeenkomstig de verordening verlaagt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Deze verordening is hier de Verordening.

4.3.

Artikel 13 van de Verordening luidt als volgt:

“Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.”

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943), dient de door de gemeenteraad vastgestelde verordening met name criteria te bevatten om de hoogte en duur van de verlaging te kunnen vaststellen. Voorts heeft de Raad al eerder overwogen (uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:422) dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen door het college aan zijn gedraging kunnen worden verbonden.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat artikel 13 van de Verordening een voldoende wettelijke grondslag biedt voor de opgelegde maatregel. Volgens appellant wordt met de verwijzing naar het benadelingsbedrag voldoende duidelijkheid geboden over de hoogte en de duur van de maatregel. Door deze verwijzing is de maatregel bepaalbaar. Appellant heeft toegelicht dat het begrip benadelingsbedrag verwijst naar het bedrag dat betrokkenen claimen met hun bijstandsaanvraag, welk bedrag zij niet hadden hoeven claimen als betrokkene 1 geen ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid had betoond in de periode voorafgaand aan de aanvraag. In dit geval doen betrokkenen een in beginsel onbeperkt beroep op bijstand, terwijl zij dat in de visie van appellant niet had hoeven doen bij een genoegzaam besef van verantwoordelijkheid door betrokkene 1, zodat uitsluiting van bijstand volgt. Omdat de WWB een inkomensvangnet is, vindt vervolgens afstemming plaats en stelt appellant voor het opleggen van de maatregel een afgebakende periode vast. In het geval van betrokkenen is die periode, gelet op de individuele feiten en omstandigheden, bepaald op één maand.

4.6.

Het begrip ‘benadelingsbedrag’, zoals appellant dit begrip uitlegt, komt in de WWB niet voor en is in de Verordening niet nader omschreven. De hoogte van het benadelingsbedrag is, anders dan appellant stelt, niet bepaalbaar. De benadeling heeft hier immers niet betrekking op een afgesloten periode in het verleden. Bij de aanvraag om bijstand staat niet op voorhand vast hoelang degene die bijstand aanvraagt een beroep zal doen op bijstand en daarom kan de hoogte van het benadelingsbedrag niet al bij de aanvraag worden bepaald. Afgezien hiervan, is in artikel 13 van de Verordening niet bepaald op welke wijze afstemming in hoogte en duur van de verlaging plaatsvindt. De conclusie moet dan ook zijn dat de Verordening geen concrete criteria bevat voor het vaststellen van de hoogte en de duur van de maatregel.

4.7.

Het standpunt van appellant, zoals weergegeven in 4.5, dat bij het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan uitsluiting van bijstand volgt, is niet juist. Zoals ook met appellant ter zitting is besproken, valt deze situatie immers niet onder een van de uitsluitingscategorieën van artikel 13 van de WWB. Voorts heeft de Raad al eerder uitgesproken (uitspraak van 11 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7032) dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18, tweede lid, van de WWB (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 48, onderaan), het voor onbepaalde duur verlagen van de bijstand in strijd is met de WWB.

4.8.

Wat onder 4.4, 4.6 en 4.7 is overwogen leidt tot de conclusie dat de gemeenteraad met artikel 13 van de Verordening geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem in het kader van artikel 8 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid. Dit betekent dat artikel 13 van de Verordening verbindende kracht mist. Aangezien - bij gebreke van een andere toepasselijke bepaling uit de WWB dan wel de Verordening - daarmee tevens de grondslag aan de verlaging is komen te ontvallen, heeft de rechtbank terecht het besluit van

10 september 2013 in zoverre vernietigd en het besluit van 5 april 2013 herroepen voor zover het de verlaging betreft. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.M. Fleuren

HD