Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
14-1351 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Op geld waardeerbare werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1351 WWB

Datum uitspraak: 7 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2014, 13/5324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft, desgevraagd, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

dr. W.E. Nagel en mr. A. Boere.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 2004, in aanvulling op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

Tijdens een werkplekcontrole, verricht door de inspectie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), is appellant op 21 juni 2012 werkend aangetroffen in restaurant [naam restaurant] te [plaatsnaam] (restaurant). De inspectie heeft vervolgens Suwinet geraadpleegd en appellant, zijn werkgever, een ex-werknemer en diens echtgenote gehoord.

1.3.

Volgens gegevens uit Suwinet staat vanaf 24 oktober 2008 een dienstverband tussen appellant en het restaurant open. Appellant heeft op 19 december 2012 onder andere verklaard dat hij tien tot vijftien uur per week voor het restaurant werkt. De werkgever van appellant,

[naam werkgever T] (T), heeft op 18 december 2012 verklaard dat appellant bij de “inventaris” hoort. Hij is het gezicht van het restaurant. Appellant werkt volgens T sinds jaar en dag bij het restaurant. Dat was ook al het geval bij de vorige eigenaar, de heer [naam N] heeft bovendien verklaard dat appellant, op het moment dat T de zaak overnam, bij hem in dienst kwam. Een ex-werknemer van het restaurant, [naam ex-werknemer], heeft verklaard dat appellant al vier tot vijf jaar, van woensdag tot en met zondag tijdens de openingstijden, van 17.00 tot 22.00 uur, bij het restaurant werkt. De echtgenote van [naam ex-werknemer], [naam echtgenote], heeft verklaard dat zij al vier tot vijf jaar gast is van het restaurant en dat zij appellant sindsdien als ober in de weekenden heeft zien werken.

1.4.

Naar aanleiding van de deze onderzoeksbevindingen heeft de sociale recherche van de gemeente Zuidplas een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij zijn de resultaten van het onderzoek van het Uwv betrokken. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 18 januari 2013.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

25 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2008 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 2008 tot 1 september 2012 tot een bedrag van € 24.706,- van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat onbetwist is dat appellant op 21 juni 2012 werkend is aangetroffen en dat hij deze werkzaamheden niet vóór juni 2012 heeft gemeld. Voorts staat vast dat appellant vanaf 2008 veelvuldig in het restaurant aanwezig was. Volgens Suwinet heeft hij sedert

24 oktober 2008 een dienstverband met het restaurant open staan. De getuigenverklaringen bevestigen dat appellant daar werkzaam was. Ook staat vast dat appellant in november 2008 en december 2008 heeft gewerkt, omdat hij dat zelf heeft verklaard. Door geen dan wel onvolledig opgave te doen van zijn werkzaamheden, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft contant geld ontvangen en heeft zijn gewerkte uren zelf op de loonstaat ingevuld, zodat de daadwerkelijke inkomsten, en daardoor het recht op bijstand gedurende de gehele periode niet zijn vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft gemotiveerd betwist dat hij vanaf 2008 onafgebroken werkzaamheden voor het restaurant heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beoordelingsperiode loopt van 1 oktober 2008 tot en met 25 februari 2013.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat hij geen werkzaamheden heeft verricht in het restaurant, maar daar slechts om sociale redenen aanwezig was. Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2014:3412) rechtvaardigt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek de vooronderstelling dat de desbetreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Dat is ook in deze zaak het geval. Appellant heeft ter zitting bevestigd dat hij vanaf 2008 drie tot vier dagen per week in het restaurant tijdens openingstijden aanwezig was en zich dan in een niet voor het publiek openstaande ruimte van het restaurant ophield. Het is vervolgens aan appellant om aannemelijk te maken dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Het betoog van appellant dat hij in een sociaal isolement verkeerde en daarom zijn vrienden in het restaurant, onder wie de eigenaar van het restaurant, opzocht is daartoe - mede in het licht van de in 1.3 genoemde onderzoeksbevindingen - onvoldoende.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.M. Fleuren

HD