Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
14-4773 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5846, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden. Terugvordering AOW-pensioen. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Gezamenlijke huishouding. Gezamenlijk hoofdverblijf. Wederzijdse zorg. Financiële verstrengeling. Wederzijdse zorg anderszins. Andere (straf)procedures.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4773 AOW

Datum uitspraak: 7 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
16 juli 2014, 13/4007 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Th. M. Briggeman, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/4802 ANW van [naam db] (dB) plaatsgehad op 14 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Briggeman. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders. Appellant en dB zijn als getuigen gehoord. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 juni 2006 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond in de periode van 21 maart 2001 tot 2 augustus 2002 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) op het adres [adres a] te [woonplaats] (adres [adres a]), in de periode van 2 augustus 2002 tot 16 maart 2006 op het adres [adres b] te [woonplaats], in de periode van 16 maart 2006 tot 31 juli 2008 wederom op het adres [adres a] en vanaf 31 juli 2008 op het adres [adres c] te [woonplaats] (adres [adres c].

1.2.

In de hier aan de orde zijnde periode ontving dB een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Zij stond tot 25 juli 2008 ingeschreven in de GBA op het adres [adres a] en vanaf die datum op het adres [adres c].

1.3.

Op 23 juni 2008 heeft appellant de Svb een adreswijziging gezonden met betrekking tot zijn verhuizing naar het adres [adres c]. Op 24 juni 2008 heeft B hetzelfde gedaan met betrekking tot haar eigen verhuizing naar dat adres.

1.4.

Nadat de Svb eerder onderzoek had gedaan naar de woon- en leefsituatie van dB, zonder dat dit gevolg had gehad voor haar Anw-uitkering, heeft de Svb naar aanleiding van de adreswijzigingen opnieuw een onderzoek ingesteld. Appellant heeft in dat kader op

27 oktober 2008 een formulier ‘gezamenlijke huishouding’ ingevuld en een ‘overeenkomst kostganger’, opgemaakt op 20 maart 2006, aan de Svb overgelegd. In de overeenkomst staat vermeld dat hij vanaf 1 april 2006 als kostganger op het adres van appellante verblijft tegen vergoeding van € 250,- per maand. Hij heeft daarbij toegelicht dat hij van Pasen tot en met oktober op kermissen verblijft en kostganger is in de periode dat er geen kermissen zijn. Op grond van die informatie, die overeenkwam met wat dB aan de Svb had gemeld, heeft de Svb aan appellant bij brief van 29 oktober 2008 meegedeeld, zoals ook na de eerdere onderzoeken, dat niet is gebleken van een voor de verlening van het ouderdomspensioen relevante wijziging in de persoonlijke omstandigheden. dB heeft op 18 juni 2009 eveneens een formulier ‘gezamenlijke huishouding’ ingevuld. Daarbij heeft zij meegedeeld dat appellant een kamer bij haar huurt, dat zij en appellant een kostgever/-nemerrelatie hebben en dat appellant haar € 250,- per maand betaalt. dB heeft daarbij een ‘overeenkomst kostganger’, opgemaakt op 1 augustus 2008, overgelegd. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat appellant verplicht is om klusjes in en rond de woning te verrichten, behulpzaam te zijn bij zware boodschappen en noodzakelijk vervoer van dB te verzorgen, dat dB verplicht is om de was en het strijken van appellant te doen en dat appellant, indien hij aanwezig is, gebruik kan maken van door dB bereide maaltijden.

1.5.

Op 24 juli 2009 heeft de Svb in het kader van een nieuw onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant een huisbezoek afgelegd aan het adres [adres c]. Tijdens dit huisbezoek is een checklist ingevuld en is de woning bezichtigd. De onderzoeksbevindingen hebben geleid tot twijfel bij de Svb over het commerciële karakter van de relatie tussen appellant en dB. Sociaal rechercheurs van de Svb (sociale recherche) hebben daarom nader onderzoek verricht naar hun woon- en leefsituatie. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer het internet geraadpleegd, inkomstengegevens via Suwinet onderzocht en de Dienst wegverkeer (RDW) geraadpleegd. Verder heeft de sociale recherche appellant op

10 maart 2010 telefonisch gehoord, appellant en dB op 18 maart 2010 verhoord en enkele getuigen gehoord. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft de sociale recherche appellant nogmaals verhoord op 8 maart 2011 en dB op 16 maart 2011. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 24 maart 2011.

1.6.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van

24 februari 2011 (besluit 1) het AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 juni 2006 te herzien en vast te stellen naar de norm voor gehuwden en bij afzonderlijk besluit van gelijke datum (besluit 2) een bedrag van € 14.951,02 van appellant terug te vorderen vanwege over de periode van juni 2006 tot en met maart 2010 ten onrechte betaald AOW-pensioen . Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan melding te maken aan het college, met dB een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

1.7.

Bij besluit van 10 mei 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de Svb, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ten onrechte heeft aangenomen dat appellant in de te beoordelen periode slechts in aanmerking kwam voor een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met dB. Volgens appellant was er geen sprake van wederzijdse zorg tussen hem en dB. Appellant heeft voorts aangevoerd dat in andere procedures is vastgesteld dat hij en dB in de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding voerden en dat dit meebrengt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de Svb dat dit wel het geval was heeft onderschreven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 juni 2006, de datum met ingang waarvan het AOW-pensioen is herzien tot en met 24 februari 2011, de datum van het herzieningsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

In artikel 17, eerste en tweede lid, van de AOW is - kort weergegeven - bepaald dat het ouderdomspensioen wordt ingetrokken of herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

Onweerlegbaar rechtsvermoeden

4.4.

Anders dan de Svb in verweer naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat in het kader van de aan appellant toegekende IOAZ-uitkering een gezamenlijke huishouding van hem met dB is geregistreerd. Voor het standpunt van de Svb dat een onweerlegbaar rechtsvermoeden bestaat als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b van de AOW in verbinding met artikel 4, aanhef en onder b van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998, is dan ook geen grond aanwezig.

Gezamenlijke huishouding

4.5.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.6.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Gezamenlijk hoofdverblijf

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en dB in de te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van dB. Uitgangspunt is dan ook dat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW, is voldaan. In geschil is het antwoord op de vraag of is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

Wederzijdse zorg

4.8.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate aanwezig is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.9.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de relatie tussen hem en dB niet werd gekenmerkt door wederzijdse zorg als bedoeld onder 4.8, maar door zakelijke afspraken, zodat deze als een commerciële kostgangersrelatie moest worden beschouwd.

Financiële verstrengeling

4.10.

De onderzoeksbevindingen bieden voldoende grondslag voor het standpunt van de Svb dat de financiën van appellant en dB verstrengeld waren op een wijze die niet past bij een commerciële relatie. Zo ontving dB, zoals zij tegenover de sociale recherche heeft verklaard, geld van appellant buiten de zakelijke afspraken om. Daarnaast stond in de periode van 5 augustus 2006 tot 28 juli 2009 een caravan op naam van dB, die door appellant was aangeschaft, waarvan de verzekering op naam van appellant was gesteld. Niet is gesteld of gebleken dat zij hierover zakelijke afspraken hebben gemaakt.

Wederzijdse zorg anderszins

4.11.

Uit de door dB tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen volgt dat zij en appellant taken voor elkaar uitvoerden zoals neergelegd in de door hen overgelegde kostgangersovereenkomst, zoals de verzorging door appellant van vervoer van dB, behulpzaamheid van appellant bij zware boodschappen en het verzorgen van de was en de post voor appellant door dB. Uit de verklaringen van met name dB komt voorts naar voren dat beiden ook op andere wijze zorg aan elkaar verleenden. Zo heeft zij verklaard: “De heer Bouter en ik gaan af en toe samen weg. We gaan dan naar de dokter of doen samen de zware boodschappen. […] Buiten dat ik boodschappen doe met de heer Bouter, en hij mij bij doktersbezoek vervoerde, treed ik wel eens meer in de openbaarheid met de heer Bouter. Dit was het geval toen de heer Bouter een hartaanval heeft gehad. Ik bracht hem toen naar het ziekenhuis. […] Ik was bij het ziekenhuis geregistreerd als terugkoppeladres. […] Bij belangrijke dingen, zoals de aankoop en verkoop van de woning, is de heer Bouter altijd aanwezig geweest. Ook bij het aanbesteden van het meerwerk en kiezen van de materialen voor de huidige woning is de heer Bouter betrokken geweest. [...] De computer op de kamer van de heer Bouter is van de heer Bouter. Ik maak daar een enkele keer gebruik van voor internetbankieren. De internetaansluiting van de UPC staat op mijn naam. De aansluiting heb ik meegenomen vanuit mijn oude woning. Daar had de heer Bouter de computer en ik de aansluiting.” Deze verklaringen vinden steun in wat appellant tegenover de sociale recherche heeft verklaard, namelijk onder meer over de uitvoering van de afgesproken taken: “Als ik bij haar ben zorgt zij voor mijn was en het strijkgoed. […] Wanneer het nodig is zorg ik voor vervoer van mevrouw [naam db].” In het licht van deze verklaringen zijn de verklaringen die appellant en dB op dit punt als getuigen ter zitting van de Raad hebben afgelegd en die erop neerkomen dat appellante nooit de was voor appellant heeft gedaan en vrijwel nooit de post voor hem heeft geopend en dat appellant nooit iets voor dB heeft gedaan omdat hij er nooit was, niet geloofwaardig. De Svb heeft er dan ook van kunnen uitgaan dat wat appellant en dB hebben verklaard tegenover de sociale recherche in overeenstemming was met de werkelijkheid.

4.12.

De Svb heeft uit de verklaringen kunnen afleiden dat de relatie van appellant en dB diverse elementen van wederzijdse zorg bevatte. Slechts enkele daarvan, zoals de was en de hulp bij zware boodschappen, waren te scharen onder de in de kostgangersovereenkomst vastgelegde afspraken. Andere zorgelementen, zoals het fungeren als terugkoppeladres voor het ziekenhuis, de betrokkenheid van appellant bij de afwerking van de nieuwe woning van dB en het gebruik van de computer door dB op de door appellant gehuurde kamer, passen niet bij wat in een zuiver zakelijke relatie gebruikelijk is.

4.13.

Vast staat voorts dat appellant en dB ieder in 2007 een testament hebben opgemaakt, waarin de ander als begunstigde was aangemerkt. Bezien in het licht van wat onder 4.10 tot en met 4.12 is overwogen, duidt dit op zorg voor elkaar. De omstandigheid dat de testamenten eerst na overlijden van de betrokkene tot afwikkeling zouden leiden doet hieraan, anders dan appellant meent, niet af. dB heeft verklaard dat zij met het testament heeft willen bewerkstelligen dat appellant na haar overlijden niet op straat zou komen te staan. Dit bevestigt dat de begunstiging uit een overweging van zorg voor appellant heeft plaatsgevonden. Appellant heeft gesteld dat hij met het testament slechts wilde bereiken dat zijn kinderen niets zouden erven. Dit leidt - wat daarvan ook zij - op zichzelf niet tot het oordeel dat zijn testament een ander karakter had dan dat van dB. Het stond appellant immers vrij om elke andere persoon of instelling in zijn testament te begunstigen in plaats van dB. Ook het opmaken van deze testamenten moet daarom worden aangeduid als een element van wederzijdse zorg en past niet bij een zuiver commerciële relatie.

4.14.

Uit 4.10 tot en met 4.13 volgt dat de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat ook aan het tweede criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Dit betekent dat appellant in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met dB.

Andere procedures

4.15.

De omstandigheid dat de strafrechter (arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van

18 juli 2012) appellant van het ten laste gelegde heeft vrijgesproken in de door hem bedoelde strafzaak, doet gelet op vaste rechtspraak (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) aan wat onder 4.14 is overwogen geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. In het kader van de door appellant bedoelde strafrechtelijke procedure lag de vraag voor of appellant opzettelijk had nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die van belang waren voor zijn IOAZ-uitkering. Het is in dat strafrechtelijk kader, waarbij met name de opzet van belang is, dat het gerechtshof heeft overwogen dat appellant er vanuit mocht gaan dat zijn relatie met dB een commerciële kostgangersrelatie was.

4.16.

Voorts leidt, anders dan appellant meent, het feit dat zijn beroep tegen de beslissing tot intrekking van zijn IOAZ-uitkering over de periode van 2 augustus 2002 tot en met

28 februari 2006 gegrond is verklaard (uitspraak van 21 februari 2013) niet tot een andere conclusie over het bestaan van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en dB, reeds omdat die uitspraak is gegrond op de vaststelling dat het Drechtstedenbestuur zich ten onrechte geen oordeel had gevormd over de woon- en leefsituatie van appellant en dB. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen, brengt het feit dat het Drechtstedenbestuur er vervolgens van heeft afgezien een nader onderzoek naar die situatie in te stellen niet mee dat appellant en dB in de desbetreffende periode geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Slotsom

4.17.

Wat onder 4.14 tot en met 4.16 is overwogen, brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.M. Fleuren

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD