Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
13-5469 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Verzoeker wordt weer geschikt geacht om het werk te doen dat eerder in het kader van de Wet WIA-beoordeling aan hem werd voorgehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5469 ZW

Datum uitspraak: 1 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2013, 12/4985 ZW

Partijen:

[Verzoeker] te Maassluis (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2013, 12/4985 ZW.

Mr. De Jonge heeft zich teruggetrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2015. Partijen zijn niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

De zaak is opnieuw behandeld ter zitting op 20 mei 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was werkzaam als heftruckchauffeur. Uit die functie is hij uitgevallen met psychische klachten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv vastgesteld dat verzoeker met ingang van 3 november 2006 geen recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft verzoeker in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 8 november 2010 heeft verzoeker zich ziek gemeld wegens psychische klachten en heeft het Uwv hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 25 februari 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering van verzoeker per 19 maart 2011 beëindigd, omdat verzoeker per die datum weer geschikt werd geacht om het werk te doen dat eerder in het kader van de Wet WIA-beoordeling aan hem werd voorgehouden.

1.3.

Het Uwv heeft het door verzoeker tegen het besluit van 25 februari 2011 gemaakte bezwaar bij besluit van 21 juni 2011 ongegrond verklaard.

1.4.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 16 augustus 2012, 11/3018, het door verzoeker ingestelde beroep tegen het besluit van 21 juni 2011 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.

1.5.

Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2013:1922, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2. Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 2 oktober 2013 op de grond dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan de weigering hem in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering niet naar behoren heeft plaatsgevonden. Door het Uwv is bijvoorbeeld niet vastgesteld dat verzoeker duurzaam kon functioneren in arbeid. De Raad kan van verzoeker niet verwachten dat hij op dit onderzoeksgebied nieuwe feiten aandraagt, omdat dit behoort tot het onderzoeksterrein van de verzekeringsartsen. Gelet op het feit dat de functies die geduid zijn in 2006 en de Functionele Mogelijkhedenlijst die toen is gehanteerd voor het Uwv het ijkpunt zijn geweest voor de ZW-beoordeling in 2011, kan het onderzoek in het kader van de ZW volgens verzoeker niet juist zijn geweest. Volgens verzoeker rechtvaardigt de omstandigheid dat er met betrekking tot de essentiële informatie vanuit de behandelend sector geen verzekeringsgeneeskundige onderzoeksgegevens zijn aangeleverd een verzoek tot herziening. Volgens verzoeker blijkt uit de uitspraak van 2 oktober 2013 niet welke toetsingscriteria feitelijk van toepassing zijn. Er is voorts sprake van evidente onjuistheid en een foutieve uitleg van de rechtspraak van de Raad. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft verzoeker een rapport overgelegd van Instituut Psychosofia van 12 november 2013.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening alleen kan worden toegepast indien aangelegenheden van feitelijke aard naar voren zijn gekomen. Het dient er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Slechts aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden (zie de uitspraken van de Raad van 3 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7982 en van 23 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1360).

3.3.

Wat verzoeker heeft aangevoerd, noch de stukken die hij daarbij heeft overgelegd, zijn feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. Het rapport van

12 november 2013 van Instituut Psychosofia bevat slechts een opsomming van brieven en rapporten die zijn opgenomen in het dossier dat ten grondslag heeft gelegen aan de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2013, en waaraan de directrice van het Instituut Psychosofia alsnog haar conclusies heeft verbonden. Het gaat hier steeds om feiten en omstandigheden die verzoeker vóór genoemde uitspraak bekend waren dan wel redelijkerwijs bekend konden zijn. Niet is in te zien dat de in het rapport van Psychosofia gegeven conclusies pas konden worden gegeven nadat de Raad de uitspraak 2 oktober 2013 had gewezen. Met zijn verzoek beoogt verzoeker in feite de juistheid van het door de Raad in de uitspraak gegeven oordeel ter discussie te stellen.

3.4.

Het verzoek om herziening moet op grond van hetgeen hiervoor is overwogen worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) N. van Rooijen

HD