Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
13-5070 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu er wezenlijke verschillen zijn tussen de functiebeschrijving van Projectleider B en de persoonsgebonden beschrijving van uitvoerend projectleider en de korpschef niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden van appellant in de periode van november 2010 tot oktober 2013 zijn gewijzigd, kan niet worden volgehouden dat appellant van 1 november 2010 tot 16 december 2011 de functie van Projectleider B uitoefende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5070 AW, 13/5071 AW, 13/5441 AW, 15/4065 AW

Datum uitspraak: 2 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van

5 augustus 2013, 12/1066 (aangevallen uitspraak 1) en 13/582 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio [naam politieregio] (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraken heeft de korpschef op 18 september 2013 nieuwe beslissingen op bezwaar (nadere besluiten) genomen.

Appellant heeft hierop een schriftelijke reactie gegeven en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is per 1 september 2003 aangesteld als Teamchef in de politieregio [naam politieregio], salarisschaal 10.

1.2.

Bij besluit van 19 oktober 2010 is appellant per 1 november 2010 benoemd en geplaatst als Projectleider ‘Social Games in de Opsporing’ binnen de divisie recherche. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij wijziging van de akte van aanstelling van 28 februari 2011 (besluit 1) is appellant met ingang van 1 november 2010 belast met de werkzaamheden van Projectleider ‘Social Games in de Opsporing’ binnen de divisie Recherche.

2. Bij besluit van 24 oktober 2011 (bestreden besluit 1) heeft de korpschef, voor zover thans nog van belang, het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1.

Bij wijziging van de akte van aanstelling van 24 oktober 2011 (besluit 2) is appellant per 1 maart 2011 ontheven uit de functie van teamchef en aangewezen in de functie van Projectleider B.

3.2.

Bij besluit van eveneens 24 oktober 2011 (besluit 3) heeft de korpschef als uitgangspunt voor de LFNP-functie van appellant vanaf 1 januari 2010 tot 31 maart 2011 en op 31 maart 2011 de functie van Projectleider B vermeld.

4. Bij besluit van 31 mei 2012 (bestreden besluit 2) heeft de korpschef de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

5.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, voor zover thans nog van belang, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen besluit 1. De rechtbank heeft erop gewezen dat appellant met ingang van 1 maart 2011 is aangewezen als Projectleider B. Nu van enige wijziging in werkzaamheden of van enige andere wijziging sinds het besluit van 19 oktober 2010 niet is gebleken, komt de rechtbank tot de conclusie dat appellant die functie al vanaf 1 november 2010 heeft vervuld, zodat in besluit 1 de functie van Projectleider B had moeten worden vermeld.

5.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet per 1 maart 2011, maar per 1 november 2010 uit zijn functie van teamchef is ontheven en is geplaatst in de functie van Projectleider B.

6. Bij de nadere besluiten is als volgt beslist. Het bezwaar tegen besluit 1 is gegrond verklaard en besluit 1 is gewijzigd in die zin dat voor Projectleider “Social Games in de Opsporing” moet worden gelezen Projectleider B. De bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 zijn eveneens gegrond verklaard. Besluit 2 is gewijzigd in die zin dat voor 1 maart 2011 moet worden gelezen 1 november 2011 en besluit 3 is gewijzigd in die zin dat de uitgangspositie vanaf

1 januari 2010 tot 31 maart 2011 en op 31 december 2011 Projectleider B is.

7. Bij een op 21 mei 2014 verzonden besluit van april 2014 heeft de korpschef een persoonsgebonden beschrijving van uitvoerend projectleider vastgesteld en appellant per

16 december 2011, de datum waarop functieonderhoud is aangevraagd, in deze functie aangesteld. Ten tijde van de zitting van de Raad was bij de rechtbank Gelderland een beroep aanhangig tegen de beslissing op het bezwaar tegen dit besluit.

8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.1.

De Raad zal de nadere besluiten, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrekken.

8.2.

In hoger beroep is uitsluitend in geding het oordeel van de rechtbank dat appellant vanaf 1 november 2010 de functie van Projectleider B vervulde.

8.3.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat dit niet het geval is. Vast staat dat appellant van november 2010 tot oktober 2013 projectleider was van het project “Social Games in de Opsporing”. De korpschef heeft - uiteindelijk, bij het onder 7 vermelde besluit - aanleiding gezien om hiervoor de persoonsgebonden beschrijving van uitvoerend projectleider vast te stellen en heeft appellant per 16 december 2011 in deze functie aangesteld. Nu er wezenlijke verschillen zijn tussen de functiebeschrijving van Projectleider B en de persoonsgebonden beschrijving van uitvoerend projectleider en de korpschef niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden van appellant in de periode van november 2010 tot oktober 2013 zijn gewijzigd, kan niet worden volgehouden dat appellant van 1 november 2010 tot 16 december 2011 de functie van Projectleider B uitoefende.

8.4.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de hoger beroepen ten aanzien van het oordeel van de rechtbank over de functie van Projectleider B slagen. De aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, komen, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

8.5.

Uit 8.2 tot en met 8.4 volgt dat de nadere besluiten evenmin in stand kunnen blijven, zodat deze zullen worden vernietigd.

8.6.

De Raad zal de korpschef opdragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen opnieuw op de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 te beslissen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door de korpschef te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

9. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 18 september 2013 gegrond en vernietigd deze

besluiten;

- draagt de korpschef op nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren tegen de besluiten 1, 2

en 3;
- bepaalt dat beroep tegen deze nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad kan

worden ingesteld;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 478,- vergoedt;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C. Moustaïne

HD