Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
13-6777 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De informatie die niet uiterlijk in de bezwaarfase naar voren is gebracht wordt buiten beschouwing gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6777 ZW

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2013, 13/2579 ZW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. J.J.M. Boot, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, voorheen werkzaam als kwaliteitsmedewerker lampen, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding is aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft het Uwv het recht op ZW-uitkering van appellant met ingang van 7 november 2011 beëindigd, omdat hij per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 5 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen in beroep en hoger beroep is bevestigd.

1.3.

Appellant heeft zich op 9 december 2011 opnieuw ziek gemeld vanwege psychische klachten, waarna aan hem wederom een ZW-uitkering is toegekend.

1.4.

Op 14 december 2011 heeft appellant verzocht om het besluit van 31 oktober 2011 te herzien, omdat hij gelet op zijn geestelijke gesteldheid ook op en na 7 november 2011 niet in staat was zijn arbeid te verrichten.

1.5.

Bij besluit van 26 maart 2012 heeft het Uwv het recht op ZW-uitkering van appellant met ingang van 2 april 2012 beëindigd, omdat hij per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van
26 juni 2012 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank in de uitspraak van 25 januari 2013 ongegrond verklaard. In de uitspraak van 23 oktober 2013 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2013:2197).

1.6.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek van appellant om van het besluit van 31 oktober 2011, waarin appellant per 7 november 2011 hersteld is geacht voor zijn arbeid, terug te komen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 4 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat in het kader van de bezwaarschriftprocedure naar voren is gebracht dat bij hem de diagnose PPD-NOS is gesteld. Weliswaar is een diagnose op zich niet zo van belang omdat het gaat om de beperkingen die voortvloeien uit ziekte of gebrek, maar met de overige verstrekte informatie is aangetoond dat de gestelde diagnose appellant zodanig geïnvalideerd heeft, dat hij danig beperkt is in zijn arbeidsmogelijkheden en ook op en na 7 november 2011 niet in staat was zijn normale werkzaamheden te verrichten. De rechtbank heeft ten onrechte een beoordeling per argument verricht, omdat “gelet op de aanwezige informatie een helikopterview aangewezen was”. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst appellant naar een brief van 15 januari 2014 waarbij hij geïndiceerd is voor arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW).

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Het verzoek van appellant van 14 december 2011 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 31 oktober 2011 waarbij het recht op ZW-uitkering van appellant met ingang van 7 november 2011 is beëindigd, omdat hij per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 maart 2013, terecht geoordeeld dat de voor en in bezwaar overgelegde gegevens, te weten het verslag van SPAR van 15 mei 2012, het psychodiagnostisch onderzoek door GZ-psycholoog E. van den Bosch in februari 2012, het verzamelverslag contacten zorgverleners ten aanzien van de periode 10 november 2011 tot en met 17 november 2011, het trajectplan SPAR van 5 november 2012 en de paragraaf 4.2, Arbeidshulpverlening, van de conceptrichtlijn ‘ASS bij volwassenen’ geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb opleveren. Daartoe heeft zij met juistheid overwogen dat de door GZ-psycholoog Van den Bosch gestelde diagnose PDD-NOS geen nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu niet zozeer de diagnose van belang is maar de beperkingen die op 7 november 2011 voortvloeiden uit ziekte en gebrek en de overgelegde stukken hieromtrent geen gegevens bevatten. De in hoger beroep ingenomen stelling dat met de overige verstrekte informatie is aangetoond dat de gestelde diagnose appellant zodanig geïnvalideerd heeft, dat hij ook op en na 7 november 2011 niet in staat was zijn normale werkzaamheden te verrichten, heeft appellant niet nader onderbouwd. De Raad heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in zijn rapport van 21 juni 2012 met recht heeft gesteld dat appellant ondanks de - achteraf gestelde - diagnose zijn werk als kwaliteitscontroleur gedurende vele jaren heeft kunnen doen en dat dit werk, gezien de aard ervan - een solitaire functie met eenduidige opdrachten - ook gelet op deze diagnose geschikt voor hem is te achten.

4.4.

De in beroep overgelegde informatie, zijnde de brief van GGZ-psychiaters
R. Wong Chung en P. Michielsen van 15 augustus 2012, de brieven van verpleegkundig specialist GGZ A. van Dijk van 17 april 2013, 30 mei 2013 en 1 augustus 2013 en de brieven van huisarts S.M.C. Schellekens van 19 juli 2013 en 23 augustus 2013 heeft de rechtbank terecht buiten beschouwing gelaten aangezien deze informatie niet uiterlijk in de bezwaarfase naar voren is gebracht. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid gewezen op vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674). De in hoger beroep overgelegde WSW-indicatie wordt om die reden ook buiten beschouwing gelaten.

4.5.

Voor het inschakelen van een deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

4.6.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J. Riphagen en
P.H. Banda en als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I. Mehagnoul

NK