Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
14-2099 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geschikt maatgevende arbeid. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2099 WIA

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 maart 2014, 13/5271 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. D. Coskun, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Namens appellant zijn verschenen mr. Coskun, [naam echtgenote] (echtgenote) en I.G. Çelik, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 januari 2013 heeft het Uwv na een medisch en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellant met ingang van 21 februari 2013 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan.

1.2.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn klachten heeft onderschat. Vanaf 2006 zijn diverse inspanningen verricht om de medische gesteldheid te verbeteren. Na zeven jaar wordt appellant in staat geacht om zijn maatgevende functie weer te vervullen, terwijl volgens appellant uit de stukken blijkt dat dit niet lukt. Na onderzoek, waarbij tevens informatie van de behandelende sector is meegewogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beoordeling bevestigd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bevestigd dat appellant in staat kan worden geacht de maatgevende arbeid te verrichten. Bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat aan het bestreden besluit een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts de naar voren gebrachte klachten van de rug en psyche heeft meegewogen bij de beoordeling. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geoordeeld dat de in beroep overgelegde informatie van de behandelende sector geen nieuwe inzichten verschaft met betrekking tot de datum in geding. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij meer of ernstiger beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van toegenomen beperkingen van psychische aard en dat sprake is van onverklaarbare pijn. Voorts is aangevoerd dat appellant vaak flauwvalt.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Op goede gronden heeft de rechtbank geconcludeerd dat een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht door de verzekeringsartsen en dat op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. Het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit is juist. De rechtbank heeft met juistheid het standpunt van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) onderschreven, dat de stelling van appellant dat het in psychisch opzicht slechter met hem gaat niet volgt uit de beschikbare medische informatie en in dat verband verwezen naar brief van psycholoog T. Duman-Bilir van 10 januari 2013. Wat betreft de rug problematiek wordt overwogen dat appellant beperkt is geacht voor rug belastende arbeid. In de informatie van de behandelende sector is terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de rugklachten zouden zijn onderschat. In dit verband wordt verwezen naar een brief van orthopedisch chirurg J.L.C. van Susante van 5 november 2013, waarin is gesproken over een stabiele situatie na een geslaagde operatie. Wat betreft de pijnklachten wordt geoordeeld dat deze - zoals appellant in hoger beroep te kennen heeft gegeven - onverklaarbaar en daarmee medisch niet objectiveerbaar zijn. Om die reden kan daarmee, zonder af te doen aan de door appellant ervaren klachten, bij het vaststellen van de beperkingen geen rekening worden gehouden. Het in hoger beroep gestelde inzake flauwvallen behoeft, gezien de toelichting ter zitting dat daarvan geen sprake is geweest, geen verdere bespreking.

4.3.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) I. Mehagnoul

HD