Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
14-1772 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 37,34%. Oorsuizen. Juistheid medische grondslag. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1772 WIA

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 februari 2014, 13/2338 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Jacobs-Hellebrekers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn op 4 november 2014, 26 januari 2015 en op 4 mei 2015 nadere stukken ingediend, waarop het Uwv zijn zienswijze heeft gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jacobs-Hellebrekers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, voorheen werkzaam geweest als tekenaar/werkvoorbereider voor 40 uur per week, heeft zich vanuit een situatie dat hij uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet met ingang van 24 januari 2011 ziek gemeld met psychische en diverse lichamelijke klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is aan appellant bij besluit van 4 januari 2013 na een medisch en arbeidskundig onderzoek met ingang van 21 januari 2013 een loongerelateerde

WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 37,34%.

2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat er onbegrip is ten aanzien van tinnitus en heeft hij gewezen op diverse gevolgen daarvan, te weten lichamelijke, emotionele, cognitieve, gedragsmatige en sociale gevolgen. Appellant heeft algemene informatie over tinnitus overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische beoordeling onderschreven. Na herbeoordeling door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is het bezwaar bij besluit van 19 juni 2013 ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft appellant de gronden van bezwaar herhaald. Hij acht een urenbeperking aan de orde en stelt niet in staat te zijn tot het verrichten van arbeid. Volgens appellant heeft het Uwv de klachten die hij ervaart als gevolg van de tinnitus en het daardoor ontstane slaapgebrek, in combinatie met hartkloppingen en een te hoge adrenalinespiegel, onderschat.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig, volledig en overeenkomstig de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben informatie van de behandelende sector kenbaar in hun beoordeling meegewogen. In de door appellant in beroep overgelegde informatie van de huisarts en van GZ-psycholoog drs. R.D. Sillekens, verbonden aan het Audiologisch Diagnostisch Centrum van 21 januari 2014 heeft de rechtbank geen reden gezien om aan te nemen dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Verder heeft de rechtbank de geduide functies medisch geschikt bevonden en ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

5. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de invloed van de tinnitus op de mogelijkheden om arbeid te verrichten is onderschat. Op verzoek van appellant heeft bedrijfsarts en klinisch arbeidsgeneeskundige dr. B. Sorgdrager een expertise verricht en op 29 september 2014 gerapporteerd. Sorgdrager is tot de conclusie gekomen dat twee tot drie uur werken per dag met een laag rendement voor appellant mogelijk is. Bij rapport van

26 november 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van Sorgdrager gereageerd en geen aanleiding gezien tot wijziging van het ingenomen standpunt. Namens appellant zijn verder nog twee krantenartikelen ingezonden met betrekking tot oorsuizen, alsmede stukken met betrekking tot een na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 29 december 2014 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

6.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.2.

De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij stuit op onbegrip met betrekking tot de beperkingen die hij ervaart als gevolg van de tinnitus wordt geoordeeld, dat de verzekeringsartsen hebben toegelicht dat appellant weliswaar niet geschikt is voor functies waarvoor een bijzondere belasting voor het gehoor geldt, maar dat dit niet dient te leiden tot het aannemen van een aanvullende beperking in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Toegelicht is dat het klachtenpatroon in stand wordt gehouden door psychologische mechanismen, zoals operante conditionering en gewoontevorming. De toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt niet onjuist geacht.

6.3.

Wat betreft de psychische problematiek heeft het Uwv een brief van PsyQ van 10 oktober 2012 meegewogen, waarin melding is gemaakt van een depressieve episode, deels in remissie, alsmede een brief van 4 december 2012, waarin is gesproken over begeleiding naar passend werk. Verder is de in 4 genoemde brief van 21 januari 2014 bij de beoordeling betrokken, waarbij is gesproken over het omgaan met de klachten. In de FML heeft het Uwv diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken een en twee. De hiervoor genoemde informatie van de behandelende sector geeft geen aanleiding om op grond daarvan meer beperkingen in de FML op te nemen.

6.4.

Ten aanzien van de stelling van appellant dat de tinnitus tot slaapgebrek leidt en dat dit het aannemen van een urenbeperking zou rechtvaardigen wordt overwogen dat appellant steun voor dit standpunt ziet in het rapport van Sorgdrager, alsmede in de stukken die appellant in hoger beroep heeft overgelegd met betrekking tot de toekenning van de IVA-uitkering met ingang van 29 december 2014. De Raad overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 26 november 2014 heeft toegelicht dat Sorgdrager melding maakt van diverse werkhervatting belemmerende factoren, die niet zijn terug te leiden tot ziekte of gebrek. Daarmee mag bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rekening worden gehouden. Er bestaat geen aanleiding deze toelichting niet te volgen. Ten aanzien van de stukken inzake de toekenning van de IVA-uitkering wordt overwogen dat niet gebleken is, noch concreet is onderbouwd dat de medische situatie van appellant rond december 2014 hetzelfde was als die per 21 januari 2013. De omstandigheid dat het Uwv aan appellant met ingang van 29 december 2014 een IVA-uitkering heeft toegekend betekent dan ook niet dat de situatie van volledige arbeidsongeschiktheid, nog los van de vraag of deze duurzaam was, ook reeds per einde wachttijd aan de orde was. Ook de in geding gebrachte krantenartikelen maken de beoordeling niet anders, omdat het algemene informatie betreft, die niet is toegesneden op appellant. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Raad van 23 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2496. In de in hoger beroep overgelegde stukken worden dan ook onvoldoende aanknopingspunten gevonden om de beoordeling per 21 januari 2013 voor onjuist te houden.

6.5.

Ten slotte wordt het oordeel van de rechtbank inzake de medische geschiktheid van de voorgehouden functies onderschreven en wordt appellant, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, geacht aan de gestelde opleidingseisen te voldoen.

6.6.

Uit overweging 6.1 tot en met 6.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) I. Mehagnoul

HD