Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
14-1968 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongevraagd ontslag op grond van artikel 7.1.2., eerste lid, aanhef en onder j, van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/143

Uitspraak

14/1968 AW

Datum uitspraak: 2 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

26 februari 2014, 12/2080, 12/2081, 12/2082 en 12/2083 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [A] hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. J. Langenberg een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.F. de Graaf, advocaat, en [B] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Langenberg en A. van Moorsel.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.1.

Appellant was sinds 1 november 1998 werkzaam bij het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hoogheemraadschap), laatstelijk in de functie van [naam functie] . Op zaterdag 11 juni 2011 om 14:51 uur heeft appellant bij de politie te Alkmaar aangifte gedaan van zakkenrollerij/tassenrollerij van zijn portemonnee op diezelfde dag om 14:45 uur te Alkmaar. Volgens de verklaring van appellant zat in de portemonnee tussen € 5.000,- en

€ 6.000,-, zijnde het door hem voor het hoogheemraadschap geïnde geld van die week. Nadat appellant op 16 juni 2011 aan de hand van de kwitanties een borderel had opgemaakt, heeft het college geconstateerd dat appellant in de periode van 13 mei 2011 tot en met 11 juni 2011 een bedrag van in totaal € 8.861,03 heeft geïncasseerd en dat dit bedrag in deze periode niet of niet geheel is afgestort aan het hoogheemraadschap.

1.2.

In verband met vragen over de aangifte en de vermissing van het bedrag van € 8.861,03 van door appellant contant geïnde incassogelden, heeft het college Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (Hoffmann) opdracht gegeven tot een onderzoek. Op 10 november 2011 heeft Hoffmann een rapport uitgebracht.

1.3.

Bij besluit van 30 november 2011 heeft het college appellant met ingang van 1 december 2011 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd op grond van artikel 7.1.2., eerste lid, aanhef en onder j, van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel. Bij beslissing op bezwaar van 10 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 november 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de conclusies en bevindingen van het rapport van Hoffmann heeft het college geconcludeerd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestaat uit het volgende:

- appellant heeft in strijd met de voor hem als deurwaarder geldende instructies de ontvangen contante bedragen niet direct afgestort, maar deze een aantal weken onder zich gehouden waarmee hij het risico heeft laten ontstaan dat dit geld op enigerlei wijze zou kunnen verdwijnen;

- appellant heeft een volstrekt ongeloofwaardige verklaring afgegeven voor het verdwijnen/de diefstal van een bedrag van € 8.861,03; hierdoor heeft hij ernstige twijfels over zijn integriteit laten ontstaan;

- appellant heeft, terwijl zijn leidinggevende dat uitdrukkelijk had verboden, een derde bij hem thuis laten werken in het informatiesysteem van het hoogheemraadschap terwijl hij zelf daar niet bij aanwezig was; appellant heeft daarbij het risico genomen dat deze derde vertrouwelijke gegevens van belastingplichtigen zou kunnen inzien en hij heeft voor deze werkzaamheden zelf overuren gedeclareerd terwijl hij deze derde een lager bedrag betaalde.

4.2.

Wat betreft het handelen van appellant in strijd met de geldende instructies, blijkt uit

punt 4.17 van de bij het rapport van Hoffmann gevoegde Instructie invordering dat de deurwaarder nog dezelfde dag het totaal van de ontvangen gelden bij het postkantoor op de rekening van het hoogheemraadschap dient te storten. Deze instructie is binnen het team deurwaarders aangepast in die zin, dat er elke week moet worden afgestort. Appellant heeft verklaard dat hij bij een tussentijdse telling in de periode van 13 mei 2011 tot en met 11 juni 2011 een bedrag van € 5.000,- heeft geteld. Niet in geschil is dat hij dit bedrag niet direct heeft afgestort en heeft laten oplopen tot een bedrag van - naar achteraf is gebleken -

€ 8.861,03 voordat hij dit bedrag ging afstorten. Daarom is ook voor de Raad komen vast te staan dat appellant in strijd met de voor hem geldende instructies heeft gehandeld en daarmee het risico heeft laten ontstaan dat het niet afgestorte bedrag op enigerlei wijze zou kunnen verdwijnen. Het college heeft dit terecht aangemerkt als plichtsverzuim. De stelling van appellant dat hij niet bekend is met de Instructie invordering en dat er nimmer met hem is gesproken over regels over termijnen of hoogte van bedragen, treft geen doel. Appellant had uit hoofde van zijn functie op de hoogte moeten en kunnen zijn van de geldende regels omtrent het invorderen en afstorten van contant geld. Hierbij is in aanmerking genomen dat de instructie is te vinden in de afdelingsmap van Financieel Economische Zaken en daarmee voor alle medewerkers toegankelijk is.

4.3.

Verder onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant een ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven voor de verdwijning van het bedrag van

€ 8.861,03 en dat appellant zich op dit punt eveneens schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant heeft verklaard dat hij het geïnde geld altijd samen met zijn echtgenote telt voordat hij gaat afstorten en om onduidelijke redenen is afgeweken van deze handelwijze en zijn echtgenote niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij ging afstorten. Appellant heeft verder geen duidelijkheid kunnen bieden over de hoogte van het bedrag dat zich in de portemonnee bevond. Appellant heeft voorts na afloop van het onderzoek van Hoffmann een andere verklaring afgelegd over de coupures waaruit het bedrag zou zijn samengesteld en over het type portemonnee dat hij bij zich droeg. Ten slotte komen de verklaringen van appellant niet overeen met de verklaringen van zijn echtgenote, nu zij heeft verklaard dat bij de onder 4.2 genoemde tussentijdse telling een bedrag van iets meer dan € 4.000,- is geteld en dat appellant ten tijde van de verdwijning van het geld een kleine portemonnee bij zich had die dubbelgevouwen kon worden. De conclusie van Hoffmann en het college in dit verband dat een stapel bankbiljetten ter waarde van het bedrag van € 8.861,03 niet goed past in een reguliere portemonnee en dat een dergelijke portemonnee dan in ieder geval niet kan worden dubbelgevouwen, acht de Raad overtuigend onderbouwd. Het voorgaande maakt de verklaring van appellant voor het verdwijnen van de door hem geïnde gelden zodanig inconsistent dat het college, anders dan appellant heeft gesteld, voldoende aanleiding had om deze verklaring ongeloofwaardig te achten.

4.4.

Nu appellant zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim, was het college bevoegd appellant disciplinair te straffen. Dat binnen de organisatie voorbereidingen worden getroffen om de werkzaamheden te privatiseren, hetgeen mogelijk consequenties heeft voor de functie van deurwaarder, zoals appellant heeft betoogd, doet aan die bevoegdheid niet af.

4.5.

De Raad acht het onder 4.2 en 4.3 besproken plichtsverzuim van appellant van een zodanige ernst dat de straf van ongevraagd ontslag daaraan niet onevenredig is, zodat hetgeen overigens aan appellant ten laste is gelegd buiten beschouwing kan blijven. Het college moet bij het beheer van geïnde gelden kunnen vertrouwen op de integriteit van de daarmee belaste werknemers. Appellant heeft dit vertrouwen ernstig beschaamd. De omstandigheid dat een adequate controle op de door appellant uitgevoerde werkzaamheden ontbrak, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van appellant jegens zijn werkgever en vormt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen vrijbrief om de zwakke plekken van een systeem te misbruiken. De gevolgen die het ontslag voor het persoonlijk leven van appellant heeft, leiden niet tot een ander oordeel.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en C.H. Bangma en E.R. Eggeraat als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD