Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
14-1574 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens (zeer) ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1574 AW

Datum uitspraak: 2 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
6 februari 2014, 13/5566 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.T.M. Smets hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 22 april 2014 heeft mr. Smets zich als gemachtigde teruggetrokken.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.M.J. van Hameren en

drs. L.A. Huizenga.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds februari 2004 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, vanaf mei 2006 in de functie van AID’er/complexbeveiliger in de Justitiële Jeugdinrichtingen

[X.].

1.2.

Bij besluit van 20 januari 2010 is appellant de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd vanwege het niet of te laat verschijnen op de dienst, het telefonisch niet bereikbaar zijn en het niet nakomen van afspraken. Daarbij is hij gewaarschuwd dat hem in de toekomst een zwaardere disciplinaire straf wordt opgelegd indien hij zich opnieuw aan plichtsverzuim schuldig maakt.

1.3.

In maart 2012 heeft appellant te kennen gegeven dat hij zich in een lastige financiële situatie bevindt. Hierop zijn diverse gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt om stukken over te leggen teneinde te bezien hoe een oplossing voor de financiële situatie zou kunnen worden bereikt.

1.4.

Nadat de minister het voornemen daartoe had geuit en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 18 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2013 (bestreden besluit), aan appellant de disciplinaire straf van ontslag per 1 januari 2013 opgelegd. Aan het strafontslag is (zeer) ernstig plichtsverzuim ten grondslag gelegd. Daarbij gaat het om de volgende gedragingen:
Appellant heeft zich herhaaldelijk niet aan gemaakte afspraken gehouden door:

a. de voor het schuldhulpverleningstraject benodigde stukken niet aan te leveren ondanks verzoeken daartoe op 5 april 2012, 20 april 2012, 12 juli 2012, 27 juli 2012, 4 september 2012, 5 september 2012, 19 september 2012 en 4 oktober 2012, wat ertoe heeft geleid dat het Financieel Loket en de bedrijfsmaatschappelijk werkster uiteindelijk hun opdracht hebben beëindigd;

b. niet telefonisch bereikbaar te zijn voor de contactpersoon van het Financieel Loket op

27 april 2012 en 14 juni 2012;

c. in augustus 2012 drie weken geen contact op te nemen met de inrichting ondanks de afspraak dat appellant wekelijks contact zou opnemen.

Ook heeft appellant in strijd met zijn meldplicht niet gemeld dat hij niet meer aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen totdat daadwerkelijk een afsluiting van de toevoer van energie dreigde. Appellant had op een veel eerder moment bij zijn leidinggevende aan de bel kunnen en moeten trekken.

Tevens heeft appellant de algemeen directeur op 9 juli 2012 foutieve informatie verstrekt door te verklaren dat hij - buiten de door hem genoemde schulden - niet nog meer schulden had en dat hij niet gebukt ging onder deze schulden, terwijl appellant hem op 30 augustus 2012 heeft geïnformeerd dat zijn volledige bezoldiging op ging aan schulden en een executoriale verkoop van zijn huis dreigde.

Verder wordt appellant verweten dat hij bij herhaling is gewaarschuwd en gewezen op het feit dat hij een dusdanig veiligheidsrisico opleverde dat het niet oplossen van de schuldenproblematiek uiteindelijk zou leiden tot een beëindiging van zijn dienstverband, maar dat deze waarschuwingen tot geen enkele wijziging in zijn handelwijze hebben geleid.

Ten slotte heeft appellant in september/oktober 2012 drie maal een laatste kans gekregen om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, maar dat heeft er niet toe geleid dat het Financieel Loket de door appellant aan te leveren stukken heeft ontvangen met als gevolg dat het Financieel Loket zijn opdracht heeft neergelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan dit oordeel ligt, samengevat, het volgende ten grondslag.
De minister heeft genoegzaam aangetoond dat hij de benodigde financiële gegevens niet van appellant heeft ontvangen. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant, in verband met de vereiste ambtelijke integriteit en het tegengaan van veiligheidsrisico’s, verplicht was de gegevens over zijn financiële positie ter beschikking te stellen. Daarbij is van belang dat de Gedragscode Dienst Justitiële Inrichtingen een meldplicht bevat voor het geval een medewerker zijn financiële verplichtingen niet kan nakomen. Door financiële problemen loopt de integriteit van de medewerker gevaar, omdat hij extra kwetsbaar wordt voor chantage, omkoping en belangenverstrengeling. Ondanks herhaalde verzoeken heeft appellant geen duidelijkheid verschaft over zijn schuldenpositie. Daarmee heeft hij onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef getoond voor zijn positie bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. De minister heeft hem meerdere keren gewaarschuwd en gewezen op het veiligheidsrisico. Door zijn weigerachtige houding heeft appellant zich niet als een integer en betrouwbaar ambtenaar gedragen. De gedragingen zijn terecht als ernstig plichtsverzuim aangemerkt. Niet gebleken is dat het plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend. Het beroep van appellant op zijn psychische gesteldheid is niet met medische stukken onderbouwd. Het strafontslag is, gelet op de ernst van het plichtsverzuim, niet onevenredig aan dit verzuim. De minister heeft terecht meegewogen dat aan ambtenaren, die werkzaam zijn bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, extra hoge eisen mogen worden gesteld op het punt van integriteit en onkreukbaarheid. Appellant had, mede gelet op zijn langdurige staat van dienst, de ernst van de situatie in ogenschouw moeten nemen en hiernaar moeten handelen. Hij heeft zijn ambtsplicht ernstig verzaakt door de financiële gegevens niet ter beschikking te stellen. Dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden hulp, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Hierbij komt dat appellant vanwege de schriftelijke berisping in 2010 wist dat het niet nakomen van afspraken gevolgen zou kunnen hebben voor zijn dienstverband.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht en is door de rechtbank op goede gronden verworpen. De Raad voegt hieraan nog het volgende toe.

3.2.

Appellant heeft ter zitting van de Raad gesteld dat het hem van werkgeverszijde heel moeilijk is gemaakt en dat hij zich destijds in een lastige situatie bevond, omdat zijn toenmalige vriendin niet meewerkte aan het verstrekken van bepaalde gegevens en hij met hernia’s kampte. Deze stelling treft geen doel. Uit het dossier blijkt immers dat van werkgeverszijde vele malen om de benodigde gegevens is gevraagd, dat appellant zelfs hulp is aangeboden bij het vergaren van die gegevens en dat hij uitdrukkelijk en meerdere malen is gewaarschuwd voor de consequenties van het laten voortbestaan van de schuldenproblematiek. De minister valt ter zake dan ook niets te verwijten en heeft zeker niet lichtvaardig tot het strafontslag besloten. Appellant heeft verder op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de hem verweten gedragingen hun oorzaak vinden in het gebrek aan medewerking van zijn toenmalige vriendin dan wel zijn gezondheidssituatie.

3.3.

Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C. Moustaïne

HD