Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
14-1296 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Geschiktheid eigen werk. Voldoende medische informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1296 ZW

Datum uitspraak: 1 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 januari 2014, 13/3470 (aangevallen uitspraak, I3)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Willems, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere medische informatie overgelegd.

Het Uwv heeft in reactie op de nadere medische informatie een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willems. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als winkelmedewerkster, is op 26 augustus 2012 bevallen van een dochtertje. In verband met haar zwangerschap en bevalling heeft zij een uitkering ontvangen ingevolge de Wet arbeid en zorg. Aansluitend aan deze uitkering heeft zij zich per 8 november 2012 ziek gemeld met bekkenklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellante heeft tweemaal het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, voor het laatst op 12 april 2013. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante per 22 april 2013 weer geschikt kan worden geacht voor haar werk als winkelmedewerkster voor 30 tot

32 uur per week. Bij besluit van 12 april 2013 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 22 april 2013 beëindigd.

1.2.

Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2013 bij besluit van 24 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij, op grond van nog over te leggen medische informatie, meer lichamelijke en psychische beperkingen heeft ervaren dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn aangenomen. Bij brief van 6 mei 2015 heeft zij daartoe een e-mail bericht van 1 mei 2015 van klinisch psycholoog drs. K. van Riet overgelegd, alsmede een e-mail bericht van fysiotherapeut R. Pijpers, eveneens van 1 mei 2015. Bij brief van 8 mei 2015 heeft zij nog nadere informatie van haar huisarts van 1 mei 2015 overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.
4.2. Er bestaat geen aanleiding het onderzoek door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) voor onzorgvuldig te houden. De verzekeringsarts heeft appellante tweemaal op een spreekuur onderzocht. Daarbij was deze arts op de hoogte van de psychische klachten van appellante, waarvoor zij onder behandeling was van een psycholoog. Bij het eigen psychische onderzoek werden geen aanwijzingen van een psychische stoornis waargenomen. Ook heeft een uitgebreid lichamelijk onderzoek plaatsgevonden waarbij met name is gekeken naar de klachten met betrekking tot eventuele bekkeninstabiliteit. De verzekeringsarts concludeerde op basis van dit onderzoek dat geen sprake is van bekkeninstabiliteit, zenuwcompressie of andere neurologische of orthopedische pathologie.

4.3.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek verricht en appellante aansluitend aan de hoorzitting op 21 mei 2013 lichamelijk en psychisch onderzocht. Deze arts heeft in het rapport van 22 mei 2013 vermeld dat appellante wel pijnklachten ervaart in de rug, bekkenregio en benen, maar dat bij lichamelijk onderzoek geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden. De anamnese is niet specifiek en wijst volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet duidelijk in de richting van bekkeninstabiliteit. De ervaren lichamelijke klachten staan een werkhervatting dan ook niet in de weg. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt niet ontkend dat appellante depressief gekleurde klachten en angstklachten ervaart. Bij het eigen onderzoek worden echter in essentie geen duidelijke psychische afwijkingen gevonden, geen duidelijke cognitieve functiestoornissen en geen duidelijk gedecompenseerd psychiatrisch toestandsbeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat er dan ook geen medische redenen zijn die werkhervatting in de weg staan.

4.4.

In de in beroep overgelegde medische informatie van de huisarts van 10 juni 2013, de fysiotherapeut van 5 juni 2013 en de behandelend psycholoog van 10 juni 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om het standpunt te wijzigen. In het rapport van 30 september 2013 vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de rug/bekken klachten dat bij het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor bekkeninstabiliteit en voor verdere duidelijke functionele beperkingen. De huisarts vermeldt in het journaal dat vanaf 10 oktober 2007 sprake was van bekkenpijn en dat appellante aansluitend op de bevalling in 2012 bekkenklachten heeft ontwikkeld waarvoor behandeling door een fysiotherapeut. De fysiotherapeut geeft als bevinding bekkeninstabiliteit postpartum, maar een door een arts gestelde diagnose bekkeninstabiliteit, gebaseerd op onderzoek, bevindt zich niet in het dossier. De behandelend psycholoog heeft in oktober 2012 een matig ernstige depressie vastgesteld, waarvoor behandeling wordt ingezet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij het onderzoek op 21 mei 2013 geen depressief toestandsbeeld kunnen vaststellen. Ook heeft de psycholoog aangegeven dat appellante in ieder geval gedeeltelijk is opgeknapt van haar (matig ernstige) depressie (en lichamelijke) klachten, waarbij mede van belang wordt geacht dat meer sprake is van begeleiding op enige afstand dan van behandeling door de behandelend psycholoog. Er bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook onvoldoende aanleiding om appellante per 22 april 2013 niet geschikt te achten voor haar laatst verrichte werk als winkelmedewerkster.

4.5.

De in hoger beroep overgelegde nadere medische informatie geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, of zijn inzichtelijk gemotiveerde standpunt voor onjuist zouden moeten worden gehouden. Met juistheid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 mei 2015 overwogen dat appellante psychische klachten ondervond, waarvoor zij sinds 30 oktober 2012 werd behandeld door psycholoog Van Riet, maar dat op de datum in geding sprake was van een gedeeltelijk herstel en dat er op die datum geen aanleiding bestond voor het aannemen van doorlopende arbeidsongeschiktheid vanwege deze psychische klachten. Met betrekking tot de lichamelijke klachten vermeldt de huisarts in zijn brief van 1 mei 2015 dat hij in januari 2013 de symptoomdiagnose bekkenpijn heeft gesteld. De diagnose “bekkeninstabiliteit” is derhalve niet door een arts gesteld of bevestigd. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor een nader onderzoek door een medisch deskundige, zoals door appellante ter zitting is verzocht.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) K. de Jong

HD