Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
13-4974 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering omdat appellant door eigen toedoen passende arbeid niet heeft behouden. De door appellant geschetste werkomstandigheden bij werkgeefster worden aangemerkt als onveilig. De reactie van werkgeefster op het bedrijfsongeval, waarbij appellant blijvend letsel aan zijn hand heeft opgelopen, gaf geen aanleiding om er op te vertrouwen dat werkgeefster ernaar streefde de veiligheid van de werknemers zo goed als mogelijk te waarborgen hetgeen een wettelijke verplichting is. Daarnaast had appellant door de reactie van werkgeefster op de diefstal reeds een goed vertrouwen in werkgever verloren. Onder deze omstandigheden kon redelijkerwijs niet van appellant worden gevergd om de dienstbetrekking te laten voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4974 WW-T

Datum uitspraak: 1 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juli 2013, 13/300 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M. Seriese hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015. Appellant en mr. Seriese zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was met ingang van 19 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkeloosheidswet (WW). Appellant is op 5 november 2012 op basis van een oproepovereenkomst voor de duur van vier maanden in dienst getreden van [werkgeefster] (werkgeefster). Op 12 november 2012 heeft appellant ontslag genomen. Het Uwv heeft onderzocht of appellant per die datum opnieuw in aanmerking kwam voor een WW-uitkering.

1.2.

Bij besluit van 22 november 2012 heeft het Uwv de WW-uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd met ingang van 12 november 2012.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 november 2012. Bij beslissing op bezwaar van 4 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit als grondslag voor de blijvend gehele weigering genoemd dat appellant door eigen toedoen passende arbeid niet heeft behouden.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellant genoemde feiten en omstandigheden een ontslagname na één week niet rechtvaardigden. Volgens de rechtbank kon appellant op dat moment nog geen goed beeld hebben van de organisatie bij werkgeefster en had hij zijn ervaringen in die week moeten melden bij en bespreken met zijn werkcoach in plaats van onmiddellijk ontslag te nemen. Bovendien had appellant zijn relaas kunnen melden bij de Arbeidsinspectie en had hij zich ziek kunnen melden. Op 12 november 2012 was voortzetting van het dienstverband van appellant te vergen, aldus de rechtbank.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn eerder ingenomen standpunt herhaald en benadrukt dat hij ontslag heeft genomen, omdat zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid in gevaar kwamen, doordat de werkomstandigheden bij werkgeefster onveilig waren en werkgeefster, toen hij haar daarmee confronteerde, niet bereid bleek om voorzorgsmaatregelen te treffen ter verbetering van die situatie.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting is door het Uwv betoogd dat het in wezen gaat om de vraag of de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van appellant zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

4.1.2.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering blijvend geheel ter zake van het niet nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Appellant heeft ter toelichting van zijn ontslagname het volgende naar voren gebracht. Werkgeefster is haar toezegging dat hij een contract voor een vast aantal uren zou krijgen niet nagekomen en heeft hem in plaats daarvan een 0 uren-contract aangeboden. Appellant heeft op zijn eerste werkdag, 5 november 2012, gezien dat door werknemers van de werkgeefster werd gestolen bij klanten en heeft dat gemeld bij werkgeefster, maar die heeft de handelingen van de werknemers gebagatelliseerd en daartegen geen actie ondernomen. De ladders waarvan appellant bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden gebruik moest maken waren onveilig en appellant moest een vorkheftruck besturen terwijl hij daarmee geen ervaring had. Op donderdag 8 november 2012 heeft appellant blijvend letsel opgelopen aan zijn linkerhand toen hij bij het lossen van een aggregaat van een vrachtwagen met die hand bekneld is geraakt tussen het aggregaat en de ketting waarmee deze door een collega, die te snel was gaan hijsen, werd opgetakeld. Werkgeefster bleek niet bereid hiervoor een arts in te schakelen, noch om extra veiligheidsmaatregelen te nemen toen appellant dit bij haar meldde. Appellant heeft betoogd dat het bedrijfsongeval en de reactie daarop van werkgeefster erop wijzen dat de voortduring van de arbeidsovereenkomst voor hem zou zijn verbonden met ernstige gevaren voor zijn leven en gezondheid, die niet duidelijk waren bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst, wat een dringende reden oplevert, als omschreven in artikel 7:679, aanhef en onder i, van het Burgerlijk Wetboek. Onder die omstandigheden kon voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem worden gevergd.

4.3.

Het Uwv heeft de lezing van appellant van de gebeurtenissen en werkomstandigheden bij de werkgeefster niet weersproken. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid daarvan, te minder omdat appellant van meet af aan heeft verklaard dat hij ontslag heeft genomen om veiligheidsredenen en de reactie van werkgeefster op zijn meldingen, en niet, zoals werkgeefster had verklaard, omdat hij liever thuis wilde zijn en het Uwv in het uitvoerige relaas van appellant geen aanleiding heeft gezien enig onderzoek in te stellen naar de juistheid van de door appellant gestelde feiten.

4.4.

De door appellant geschetste werkomstandigheden bij werkgeefster worden aangemerkt als onveilig. De reactie van werkgeefster op het bedrijfsongeval, waarbij appellant blijvend letsel aan zijn hand heeft opgelopen, gaf geen aanleiding om er op te vertrouwen dat werkgeefster ernaar streefde de veiligheid van de werknemers zo goed als mogelijk te waarborgen hetgeen een wettelijke verplichting is. Daarnaast had appellant door de reactie van werkgeefster op de diefstal reeds een goed vertrouwen in werkgever verloren. Onder deze omstandigheden kon redelijkerwijs niet van appellant worden gevergd om de dienstbetrekking te laten voortduren.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat de werkloosheid van appellant niet verwijtbaar was. Er was geen grondslag om de WW-uitkering met ingang van 12 november 2012 blijvend geheel te weigeren. Dit betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven.

4.6.

De Raad kan niet zelf de WW-uitkering van appellant vaststellen, omdat daartoe gegevens nodig zijn waarover hij niet beschikt. Daarom zal het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2012.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 4 april 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

RB