Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
13-6651 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij. Nu appellanten blijven bij hun verklaring dat zij niets van de aangetroffen materialen en plantenresten in en bij hun woning wisten, hebben zij onvoldoende duidelijkheid verschaft over de omvang van hun betrokkenheid bij de teelt en/of handel in hennep en de mogelijk daaruit genoten inkomsten. Dit betekent dat het college bevoegd was de bijstand met ingang van 21 december 2011 in te trekken op de grond dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6651 WWB, 13/6652 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1. november 2013, 12/1262 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. dr. H.H. van Steijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. Van Steijn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.P.C. Schouten.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellanten ontvingen sinds 1 januari 1993 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm voor gehuwden. In het kader van een onderzoek naar de aanwezigheid van hennepkwekerijen zijn op 13 oktober 2011, 9 november 2011 en 17 november 2011 vanuit een luchtvaartuig met behulp van thermische camera’s beelden gemaakt van de wijk waarin de woning van appellanten (woning) zich bevindt. Op die beelden zijn verkleuringen te zien die een verhoogde temperatuur in bepaalde woningen weergeven, waaronder ook in de woning van appellanten. Vervolgens zijn onder leiding van de Taskforce georganiseerde criminaliteit op 13 december 2011 een aantal woningen in de wijk, waaronder de woning, gecontroleerd. Op de zolder van de woning zijn, deels verborgen achter schotten,

233 plantenpotten met daarin resten potaarde aangetroffen, twee kartonnen dozen met

160 hennepplanten, een plastic zak met 360 gram gedroogde henneptoppen en voorwerpen zoals assimilatielampenkappen, transformatoren, dompelpompen, inbouwventilatoren en een weegschaal. Ook zijn op zolder hennepresten aangetroffen op eerder gebruikte droogrekken, gebruikte nylon netten, een gebruikt zwart grondzeil, luchtslangen, elektriciteitssnoeren, een waterton met kalkaanslag en een sterk vervuild koolstoffilter. Voorts is door een fraude-inspecteur van het energiebedrijf Enexis B.V. geconstateerd dat de elektriciteitsmeter was gemanipuleerd. Het energiebedrijf Enexis heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom en vernieling van de elektriciteitsmeter. Ten slotte is op de achterplaats van de woning een volgeladen aanhangwagen met afvalzakken potaarde met hennepresten aangetroffen. Het kenteken van die aanhangwagen staat op naam van appellant. Appellanten en hun jongste zoon zijn tijdens de controle als verdachten aangehouden en op het politiebureau verhoord. De niet aanwezige oudste zoon is op 5 januari 2012 verhoord. Van het onderzoek heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt dat is gesloten op 15 januari 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

29 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2012, de bijstand van appellanten met ingang van 21 december 2011 in te trekken. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellanten werkzaamheden hebben verricht gericht op het exploiteren van een illegale hennepkwekerij, wat zij, in strijd met hun inlichtingenverplichting, niet aan het college hebben gemeld. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand van appellanten met ingang van 21 december 2011 niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de aangetroffen materialen en plantresten en het illegaal stroomverbruik ernstige vermoedens opleveren dat in de woning illegaal hennep is geteeld op een manier en in een omvang die aannemelijk maken dat deze bestemd was voor de handel. De vondst van 160 hennepstekjes duidt erop dat de kwekerij nog zeer kort voor de huiszoeking in gebruik is geweest. Het is dan aan appellanten om aannemelijk te maken dat zij, zoals zij stellen, geen bemoeienis hebben gehad met de kwekerij en daar zelfs geen weet van hebben gehad. Appellanten hebben geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de in hun woning aangetroffen spullen. Het exploiteren van een hennepkwekerij als hier aan de orde moet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van bijstand. Door geen melding te maken van deze

- gelet op de aangetroffen hoeveelheid stekjes en henneptoppen onmiskenbaar op geld waardeerbare - activiteit hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep, op de hierna te bespreken beroepsgrond, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben, evenals in beroep, betwist dat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden. Bewijs van betrokkenheid van appellanten bij hennepteelt en/of handel in hennep ontbreekt volgens hen. De woning werd door vijf volwassen personen, appellanten, hun twee zonen en een inwonende kennis, bewoond. Op appellanten rust geen risicoaansprakelijkheid voor de aanwezigheid van de aangetroffen hennepstekken en potgrond met resten van hennepplanten. Voor een hennepkwekerij was in de woning, die geheel voor bewoning in gebruik was, geen plaats. De aangetroffen spullen stonden achter schotten op zolder, waar de oudste zoon zijn kamer had. Wat op 13 december 2011 op zolder is aangetroffen zou verband kunnen houden met een hennepkwekerij elders. Appellanten wisten van niets. Evenmin bestaat bewijs voor het illegaal aftappen of verbruiken van stroom.

4.2.

De beroepsgrond faalt. De rechtbank is gemotiveerd op deze beroepsgrond ingegaan. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank, samengevat weergegeven onder 2. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, waarop dat oordeel rust en voegt daaraan het volgende toe. Appellanten hebben gesteld dat in de woning geen plaats was voor een hennepkwekerij, maar zij hebben dit met de enkele stelling dat de woning geheel voor bewoning in gebruik was voor vijf volwassenen, niet aannemelijk gemaakt. Ook hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat wat op 13 december 2011 op zolder is aangetroffen verband houdt met de exploitatie van een hennepkwekerij elders. Voor wat betreft het illegaal aftappen of verbruiken van stroom is voorts het volgende van belang. Blijkens de aangifte van Enexis van 20 januari 2012 van diefstal van energie en opzettelijke en wederrechtelijke vernieling, beschadiging of het onbruikbaar maken van de meetinrichting, heeft een fraude-inspecteur van Enexis op 13 december 2011 in de woning geconstateerd dat verboden handelingen aan de electriciteitsinstallatie waren verricht, waardoor afgenomen elektriciteit niet correct via de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. De meter is vervolgens door de medewerker verwijderd en ter controle aangeboden aan de afdeling Metering van Enexis, die heeft bevestigd dat met de meter is gefraudeerd.

4.3.

Nu appellanten blijven bij hun verklaring dat zij niets van de aangetroffen materialen en plantenresten in en bij hun woning wisten, hebben zij onvoldoende duidelijkheid verschaft over de omvang van hun betrokkenheid bij de teelt en/of handel in hennep en de mogelijk daaruit genoten inkomsten. Dit betekent dat het college bevoegd was de bijstand met ingang van 21 december 2011 in te trekken op de grond dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R.G. van den Berg

HD