Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
14-1179 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:124, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling volledige arbeidsongeschiktheid naar een mate van 25 tot 35 %. Herhaling gronden in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1179 WAO

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 januari 2014, 13/3149 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is met ingang van 6 april 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant in mei 2012 onderzocht en geconcludeerd dat de psychische situatie van appellant sterk is verbeterd ten opzichte van een eerdere herbeoordeling in 2005. De beperkingen voor het verrichten van arbeid van appellant zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft voorbeeldfuncties voor appellant geselecteerd en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 29,50% bedraagt. Bij besluit van 4 september 2012 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 5 november 2012 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25 tot 35%.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 september 2012. Het Uwv heeft een expertise van psychiater H. Kondakçi gevraagd. Deze psychiater heeft in zijn rapport van 19 maart 2013 vermeld dat het in 2005 gepresenteerde beeld in het geheel ontbreekt. Een psychotische depressie en/of een psychotische stoornis kan niet worden bevestigd. Het is wel aannemelijk dat appellant lijdt aan spanningsklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 5 april 2013 de bevindingen van psychiater Kondakçi onderschreven. Voorts heeft hij overwogen dat geen sprake is van evidente rugpathologie. De rugklachten kunnen een uiting zijn van de psychische klachten, waarvoor reeds beperkingen zijn aangenomen in de FML. Er zijn geen medische argumenten om meer beperkingen aan te nemen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens blijkens zijn rapport van

8 april 2013 de conclusie van de arbeidsdeskundige volledig onderschreven. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 september 2012 heeft het Uwv bij besluit van 8 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en de in dat onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv getrokken conclusies kan dragen. De brief en het medicijnvoorschrift van psychiater B. Boutot van 26 september 2013 vormen geen aanleiding om aan de zorgvuldigheid het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dan wel de interpretatie door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het rapport van psychiater Kondakçi te twijfelen. Boutot stelt dat appellant lijdt aan hallucinaties, maar onderbouwt dit niet. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9828, heeft de rechtbank overwogen dat de brieven van appellant en zijn echtgenote niet dezelfde kracht hebben als argumenten aangevoerd door artsen. De inhoud van de brieven biedt onvoldoende grond voor twijfel aan de zorgvuldigheid en de volledigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het rapport van psychiater Kondakçi voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de informatie van psychiater Boutot onvoldoende onderbouwd is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een brief van psychiater F. Choukri van

18 februari 2014 en een brief van psychiater Boutot van 28 maart 2014 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. De door appellant in hoger beroep overgelegde stukken zien niet op de datum in geding en geven slechts het door appellant gepresenteerde beeld weer zonder medische motivering daarvan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2014 overgelegd.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant, in essentie, dezelfde gronden naar voren gebracht als de gronden die hij ook al bij de rechtbank heeft aangevoerd. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht in zijn rapport van 26 mei 2014 overwogen dat de door appellant in hoger beroep overgelegde medische stukken geen aanleiding geven om het standpunt van het Uwv te wijzigen, omdat deze stukken niet zien op de datum in geding. Er is voorts geen reden de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in diens oordeel dat die stukken geen overtuigend onderbouwde medische objectivering bevatten van de door appellant geclaimde klachten.

4.2.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat de medische geschiktheid van de geduide functies door de arbeidsdeskundigen van het Uwv voldoende inzichtelijk en toereikend is gemotiveerd in de rapporten van 3 september 2012 en 8 april 2013. Er bestaat geen aanleiding om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor ondeugdelijk te houden.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) M. Crum

NK