Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
12-3242 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening en vaststelling hoogte aflossingscapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3242 WAO, 13/4230 WAO, 13/4231 WAO, 13/6406 WAO, 14/3723 WAO

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

26 april 2012, 11-4787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Sarin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank Noord-Holland heeft de Raad stukken toegezonden. Vervolgens hebben partijen nog stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sarin. Namens het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer.

Na de zitting is de Raad tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft hij het onderzoek heropend.

Partijen hebben vragen Raad beantwoord, nadere stukken ingezonden en hun standpunten toegelicht.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na een eerdere procedure bij de rechtbank heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van

5 januari 2010 van appellant de over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2007 onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) tot een bedrag van € 182.660,47 teruggevorderd. Het tegen dit besluit ingesteld beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 24 juni 2010 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad op 26 oktober 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU1905) bevestigd.

1.2.

Bij besluit van 29 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant ter aflossing van (het restant van) zijn schuld per maand € 1.045,12 kan betalen. Hem is verzocht dit bedrag voor 1 juni 2011 over te maken. Bij beslissing op bezwaar van 1 augustus 2011 (besluit 1) heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 29 april 2011 ongegrond verklaard. Het aflossingsbedrag is daarbij per 1 juli 2011 vastgesteld op € 1.041,98 per maand.

1.3.

Hangende het beroep tegen besluit 1 heeft het Uwv op 13 januari 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar (besluit 2) genomen. Daarbij is het aflossingsbedrag per 1 juni 2011 vastgesteld op € 1.002,82 per maand.

2. De rechtbank heeft het beroep mede gericht geacht tegen besluit 2. Zij heeft het beroep tegen besluit 1 - abusievelijk aangeduid als het besluit van 29 april 2011 - gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Het beroep tegen besluit 2 is ongegrond verklaard, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3.1.

De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende.

3.2.

De rechtbank Noord-Holland heeft een beroepschrift tegen een beslissing op bezwaar van 25 april 2013 naar de Raad doorgezonden. Bij deze beslissing is beslist op het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 2 januari 2013 en van 7 februari 2013, waarbij de aflossingscapaciteit van appellant per 15 januari 2013 respectievelijk 15 februari 2013 is vastgesteld. Tevens is daarbij de berekening van wettelijke rente over de nog bestaande schuld aan de orde geweest.

3.3.

Op grond van artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, mede betrekking op een bijkomende beschikking omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Voorts heeft het hoger beroep tegen een bijkomende beschikking mede betrekking op een latere bijkomende beschikking met betrekking tot dezelfde geldschuld, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Dit artikel is op 1 juli 2009 in werking getreden.

3.4.

In artikel III, eerste lid, van de Vierde tranche Awb is bepaald dat het tot 1 juli 2009 geldende recht van toepassing blijft op de verplichting tot betaling van een voor die datum vastgestelde geldsom. Nu reeds vóór deze datum het door appellant aan het Uwv verschuldigde bedrag is vastgesteld, is artikel 4:125 van de Awb niet van toepassing. De Raad zal de door de rechtbank Noord-Holland doorgezonden besluiten dan ook niet in zijn beoordeling betrekken. De desbetreffende stukken zijn naar de rechtbank teruggezonden.

4. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit 2. De Raad overweegt hierover het volgende.

4.1.

In het besluit van 29 april 2011 heeft het Uwv de maandelijkse aflossingscapaciteit van appellant per 1 juni 2011 vastgesteld. In besluit 1 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard en is ook de aflossingscapaciteit per 1 juli 2011 vastgesteld. Hoewel dit als een primair besluit moet worden aangemerkt, acht de Raad het uit proceseconomisch oogpunt aangewezen dit bedrag mede in de beoordeling te betrekken. In besluit 2 is het aflossingsbedrag per 1 juni 2011 vastgesteld op € 1.002,82 per maand. Desgevraagd heeft het Uwv medegedeeld dat de aflossingscapaciteit per 1 juli 2011 € 1.003,62 bedraagt.

4.2.1.

Ook in hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat bij de berekening van de aflossingscapaciteit voorbij wordt gegaan aan het feit dat er twee bronnen van inkomsten zijn, te weten een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en een bedrijfspensioen. Door deze samenloop wordt er te weinig loonbelasting ingehouden, zodat er een naheffing volgt. Er moet daarom met een lager netto-inkomen rekening worden gehouden, aldus de gemachtigde van appellant.

4.2.2.

Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de vaststelling van appellants aflossingscapaciteit in zoverre in overeenstemming is met de Regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2009 houdende regels omtrent tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (Regeling) en de relevante bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WBR). Artikel 475d van het WBR knoopt aan bij de Wet Werk en Bijstand voor de berekening van een netto beslagvrije voet. In een geval als dat van appellant, waarin de netto periodieke inkomsten achteraf moeten worden gecorrigeerd, kan de Belastingdienst worden verzocht om op grond van artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een voorlopige aanslag vast te stellen teneinde de juiste periodieke netto bedragen te ontvangen. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

4.3.1.

Namens appellant is verder naar voren gebracht dat bij de berekening van de aflossingscapaciteit geen rekening is gehouden met de premie ziektekostenverzekering van appellants echtgenote.

4.3.2.

Het Uwv heeft zijn standpunt hierover desgevraagd nader toegelicht. Het Uwv houdt bij de berekening van de aflossingscapaciteit rekening met het bedrag aan premie dat de betrokkene daadwerkelijk betaalt. Dat is ingegeven door het feit dat op grond van artikel 475d, vijfde lid, van de WBR bij het bepalen van de beslagvrije voet rekening wordt gehouden met de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering. Een persoon kan voor meer personen een verzekering ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) afsluiten. De Zvw bepaalt vervolgens dat die persoon ook de premies moet betalen. Nu appellant en zijn echtgenote ieder voor zichzelf een zorgverzekering hadden afgesloten en betaalden, wordt alleen met de door appellant betaalde premie rekening gehouden.

4.3.3.

Op verzoek van de Raad is namens appellant informatie verstrekt over de ziektekostenverzekering van appellant en zijn echtgenote in 2011. Uit de polisbladen blijkt dat appellant en zijn echtgenote elk apart een ziektekostenverzekering hadden afgesloten. Zoals ook was opgegeven op het formulier ‘Inkomens- en vermogensonderzoek’ van 18 april 2011, betaalden zij daarvoor elk apart de premie. Dat deze premies - zoals de gemachtigde van appellant heeft gesteld - van de gezamenlijke rekening werden afgeschreven, doet hieraan niet af.

4.3.4.

Volgens artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling wordt onder aflossingscapaciteit verstaan: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het WBR, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering.

4.3.5.

Artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, van de WBR luidt als volgt.

“De beslagvrije voet wordt verhoogd met:

a. de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en vierde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt.”

4.3.6.

De berekening van de aflossingscapaciteit is ook in dit opzicht in overeenstemming met artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, van de WBR. Dit artikel biedt geen aanknopingspunt om ook rekening te houden met de door appellants echtgenote gesloten ziektekostenverzekering. Deze grond slaagt dus niet.

4.4.

De gemachtigde van appellant heeft ten slotte gesteld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het eigen risico van de ziektekostenverzekering. Dit behoort evenwel tot de normale bestaanskosten, waarmee bij de berekening van de aflossingscapaciteit geen rekening wordt gehouden.

4.5.

Gezien het in 3.1 tot en met 3.4 overwogene wordt niet ingegaan op hetgeen naar voren is gebracht over de aflossingscapaciteit in 2013 en 2014.

4.6.

Nu het hoger beroep niet slaagt, moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.J. Dekker

HD