Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
13-4663 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 november 2009, 07/5880

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. D. Tap, advocaat, om herziening gevraagd van de door de Raad op 5 november 2009 gegeven uitspraak.

Het Uwv heeft een reactie op het verzoek aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Verzoeker is verschenen bij gemachtigde, mr. Tap. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij de uitspraak van 5 november 2009 heeft de Raad in het hoger beroep van thans verzoeker tegen een uitspraak van 23 augustus 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage geoordeeld dat vier personen, te weten [W.], [X.], [Y.] en [Z.] tot verzoeker in dienstverband stonden en niet zijn onderaannemers of opdrachtnemers waren. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat eerder afgelegde getuigenverklaringen, van de administrateur [A.] en van de zoon van [W.], zijn herroepen. Hij overwoog in verband daarmee onder meer: "Indien (…) belastende verklaringen op overtuigende wijze worden heroepen, kan dit onder omstandigheden tot de conclusie leiden dat het Uwv niet (langer) aan zijn bewijslast heeft voldaan." De Raad overwoog voorts "dat, ook indien van de nadere verklaringen van de getuigen wordt uitgegaan waar deze van hun oorspronkelijke verklaringen afwijken, (…) nog steeds het beeld oprijst dat appellant (…) een centrale en leidende rol vervulde, die onmiskenbaar als het uitoefenen van werkgeversgezag is aan te merken."

Aangezien de door het Uwv gemaakte premieschatting verzoeker voldoende aanknopingspunten bood om de berekeningen te controleren en waar nodig te bestrijden, is de Raad tot het oordeel gekomen dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, waarbij het beroep van nu verzoeker tegen de aan hem opgelegde correctienota’s over de premiejaren 2000 tot en met 2004 ongegrond is verklaard.

3.1.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek in de eerste plaats gewezen op een arrest van 19 april 2013 van het gerechtshof Den Haag waarbij verzoeker is vrijgesproken, zakelijk weergegeven, van het opzettelijk geen opgave doen van door werknemers genoten loon en het opzettelijk doen van onjuiste en onvolledige aangifte loonbelasting, van valsheid in geschrifte en van deelname aan een criminele organisatie. Het gerechtshof heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verzoeker er niet redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de werkzaamheden werden verricht door zelfstandigen zonder personeel, werkzaam in hun onderneming. Ook is in de strafrechtelijke procedure in hoger beroep van de gebruikte VAR-verklaringen niet bewezen dat ze vals waren; volgens het gerechtshof is alleen een daartoe strekkend vermoeden komen vast te staan. Ten slotte is volgens het gerechtshof niet komen vast te staan dat verzoeker deelnam aan een organisatie die als oogmerk het plegen van genoemde misdrijven had. Ter onderbouwing van het verzoek tot herziening is voorts aangevoerd dat het onderzoek eerder niet volledig is geweest, dat opsporingsambtenaren niet onafhankelijk zouden zijn geweest, dat bewijsmateriaal is vernietigd en dat ontlastende verklaringen en documenten buiten beschouwing zijn gelaten. Ook is aangevoerd dat de hiervoor onder 2 genoemde personen bij de belastingdienst bekend waren als onderaannemers en dat zij in die hoedanigheid ook aangiften hebben gedaan. Ten slotte is aangevoerd dat de rol van verzoeker destijds veel beperkter is geweest dan het Uwv heeft doen voorkomen.

3.2.

Ter zitting is namens verzoeker erop gewezen dat de vraag of hij als werkgever in dienstbetrekking heeft gestaan tot de onder 2 genoemde personen, volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet worden beoordeeld naar alle relevante omstandigheden. Indien één of enkele van die omstandigheden achteraf onzeker of onjuist blijken te zijn, is dus sprake van feiten en omstandigheden die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden; het kan zijn dat zo’n feit of omstandigheid net de balans anders doet doorslaan. Desgevraagd is namens verzoeker aangegeven dat de belangrijkste omstandigheden, waarop het herzieningsverzoek berust, zijn: het nadere p.-v. van de belastingdienst over het bestaan van VAR-verklaringen, de verklaring van de getuige Letteboer dat hij voor een van de meergenoemde personen een groot geldbedrag in bewaring heeft gehad, het niet onderzocht zijn van de computer van [X.] en het feit dat bewijsmateriaal in 2011 of eerder zou zijn vernietigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het bijzondere rechtsmiddel van herziening kan alleen worden toegepast indien aangelegenheden van feitelijke aard naar voren komen. Het dient er niet toe om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Slechts aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden. Zie de uitspraken van de Raad van 19 november 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8180 en van 3 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7982.

4.2.

In aansluiting op rechtspraak van Raad (zie onder meer de uitspraak van 13 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV0833) wordt geoordeeld dat het arrest van 19 april 2013 niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Dit arrest is gewezen na de uitspraak van de Raad van 5 november 2009 waarvan herziening is verzocht. Dit betekent dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Overigens blijkt uit het arrest slechts dat het gerechtshof het opzettelijk niet opgeven van betaald loon onbewezen heeft geacht. Over de vraag of de niet opgegeven bedragen wel of niet als in dienstbetrekking genoten loon van meergenoemde personen moet worden aangemerkt heeft het hof zich niet uitgelaten. Van het vernietigen van bewijsmateriaal in de strafrechtelijke procedure, dat in 2011 of eerder zou hebben plaatsgevonden, staat evenmin vast dat het heeft plaatsgevonden voor de uitspraak waarvan herziening is verzocht.

4.3.

Dat de VAR-verklaringen, waarop verzoeker zich heeft beroepen in de procedure die leidde tot de uitspraak van 5 november 2009, niet vals zijn geweest is geen omstandigheid van na die uitspraak. Het is ook geen omstandigheid waarop verzoeker zich in die eerdere procedure niet heeft kunnen beroepen. Dat hij er toentertijd voor heeft gekozen af te gaan op het standpunt van het Uwv in plaats van die verklaringen op te vragen en als echt in het geding te brengen, moet voor zijn rekening worden gelaten. Dit betekent dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

4.4.

De Raad volgt verzoeker evenmin in zijn stelling dat het gegeven, dat Letteboer voor [X.] een grote som geld heeft bewaard, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden omdat daaruit volgt dat [X.] geen werknemer was. Het oordeel in de uitspraak waarvan herziening is verzocht dat sprake is van een dienstbetrekking is in overwegende mate gestoeld op de centrale rol van verzoeker. Gelet hierop is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Ook aan het niet onderzocht zijn van de dagstaten die [X.] op zijn computer bewaarde kan de Raad in dit verband niet de betekenis toekennen die verzoeker daaraan toegekend wil zien.

4.5.

De overige namens verzoeker genoemde feiten en omstandigheden brengen de Raad niet tot een ander oordeel. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V. van Rij

NK