Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
13-2376 WAO-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag WAO-uitkering per 14 juli 1981. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusie dat niet gesteld kan worden dat appellant de wachttijd heeft volbracht abi artikel 19, eerste lid, van de WAO. Appellant heeft onvoldoende medische informatie overgelegd uit of met betrekking tot de periode van 1981 tot en met 1985, die reden geeft tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit vaste rechtspraak volgt dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico blijven van degene die (alsnog) de aanvraag doet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2376 WAO-G

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 13 maart 2013, 12/1099 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Hage, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 1976 tot 1985 werkzaam geweest als administratief medewerker. Bij brief van 2 januari 1985 is appellant per 1 april 1985 ontslagen. Voor dat ontslag heeft het Gewestelijk Arbeidsbureau op medische gronden toestemming gegeven. Aan appellant is vervolgens een uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening (WW) toegekend.

1.2.

Bij brief van 18 augustus 2010 heeft appellant het Uwv verzocht om hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij deze aanvraag heeft hij erop gewezen dat hij in 1981 een hersenvliesontsteking heeft gehad die tot restverschijnselen heeft geleid zoals gehoor-, visus-, geheugen-, concentratie- en evenwichtsproblemen en spasticiteit.

1.4.

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de WAO toe te kennen, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 20 september 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard omdat appellant de wachttijd niet heeft volbracht en voorts omdat hij per einde van de wachttijd - 13 juli 1982 - minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het standpunt dat niet is komen vast te staan dat appellant vanaf 14 juli 1981, de datum waarop hij is opgenomen in het ziekenhuis, 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat aan de hand van de beschikbare (medische) gegevens vastgesteld dient te worden dat hij gedurende de wachttijd en per datum einde wachttijd arbeidsongeschikt was. Voorts heeft hij gesteld dat hij niet het risico dient te dragen van de gevolgen die de laattijdige aanvraag voor de vaststelling van de medische situatie op de datum einde wachttijd heeft, omdat de laattijdigheid van de aanvraag niet aan hem te wijten is. Hij kon juist als gevolg van de restverschijnselen van de hersenvliesontsteking niet adequaat handelen tijdens de wachttijd en aan het einde daarvan. De rechtsvoorganger van het Uwv had behoren op te merken dat appellant arbeidsongeschikt was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 19, eerste lid, van de WAO, bepaalde ten tijde in geding dat voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de WAO hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt dient te zijn geweest. Als eerste dag van de wachttijd geldt, op grond van het tweede lid, de eerste werkdag al dan niet in dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens werktijd is gestaakt. Niet in geschil is dat dat 14 juli 1981 is.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn bevindingen en conclusies voldoende inzichtelijk en consistent heeft geformuleerd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie dat niet gesteld kan worden dat appellant de wachttijd heeft volbracht. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.

Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 12 september 2011 en

17 september 2012 blijkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van de brieven van de neuroloog-psychiater M.A. Elderson van 15 en 28 augustus 1981. Daaruit blijkt dat appellant op 14 juli 1981 wegens een meningitis is opgenomen in een ziekenhuis en op 7 of 8 augustus 1981 - goed hersteld maar nog wel wat vermoeid - is ontslagen. Bij controle op 24 augustus 1981 heeft de neuroloog-psychiater geconstateerd dat ook de vermoeidheid was verdwenen. Appellant heeft op de hoorzitting verklaard dat hij eerst deels en in september 1981 volledig zijn werkzaamheden heeft hervat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien de volledige werkhervatting tot eind 1984 appellant geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

4.4.

Appellant heeft onvoldoende medische informatie overgelegd uit of met betrekking tot de periode van 1981 tot en met 1985, die reden geeft tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten aanzien van de informatie die appellant in bezwaar en beroep heeft overgelegd, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze niet tot een andere conclusie leidt. De huisarts heeft geen informatie over de periode van 1981 tot 1985. In bezwaar heeft appellant een brief van 31 mei 2006 van psycholoog J.B.J.M. van den Heuvel overgelegd en een brief van psycholoog Th.H. Voogt van 23 juni 2011 met daarin het verslag van een neuropsychologisch onderzoek. Psycholoog Van den Heuvel is bekend met appellant sinds 1994 en heeft gemeld dat appellant van 1994 tot 1997 in een pre-psychotische toestand verkeerd. Van den Heuvel heeft voorts melding gemaakt van een verminderd vermogen tot prikkelverwerking en van concentratiestoornissen en heeft gesteld dat deze verschijnselen waarschijnlijk zijn ontstaan ten gevolge van ernstige medische problemen in 1981, waardoor blijvende cognitieve stoornissen zijn ontstaan. Psycholoog Voogt doet verslag van een neuropsychologisch onderzoek in 2010 waaruit blijkt dat sprake is van vertraagde informatieverwerking en benedengemiddelde executieve functies, die als passend bij de diagnose - abusievelijk is vermeld encephalitis - zijn te begrijpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep signaleert dat er zich na 1981 blijkbaar nog andere problemen hebben voorgedaan, zoals de

pre-psychotische periode, en dat een onderzoek in 2010 niets zegt over de medische situatie in 1981. Het rapport van een trajectbegeleider van Dethon van 7 juni 2006 kan niet worden gevolgd nu de trajectbegeleider geen arts is en derhalve niet competent is om uitspraak te doen over de medische situatie en medische beperkingen van appellant.

4.5.

In beroep heeft appellant een brief van neuroloog A.J. Breukelman van 19 juni 2012 overgelegd. Anders dan psychologen Van den Heuvel en Voogt meent de neuroloog dat het niet mogelijk is om vast te stellen of het pre morbide functioneren anders zou zijn geweest dan het huidige functioneren. De neuroloog maakt er melding van dat dit standpunt met een collega is besproken, die tot hetzelfde standpunt kwam. Voorts heeft appellant een rapport van psycholoog Voogt overgelegd over een neuropsychologisch onderzoek van 21 mei 2012. Daaruit blijkt dat het algemene niveau van cognitief functioneren van appellant conform het pre morbide opleidingsniveau en niveau van functioneren is. Op de tests scoort appellant van benedengemiddeld (overzicht en planning) tot bovengemiddeld (werkgeheugen). De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet hierin geen reden af te wijken van het standpunt dat appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

4.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd in het standpunt dat op grond van deze stukken niet kan worden geconcludeerd dat appellant de wachttijd heeft volbracht. Dat medisch adviseur A.M. Smulders-Nagel op 4 december 1984 heeft verklaard dat appellant medisch gezien niet meer geschikt is voor zijn werk - appellant wordt niet in staat geacht onder stress te werken en heeft een beschermende werkomgeving zonder tempodruk nodig - en dat de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau op

19 december 1984, zich daarop baserende, de werkgever toestemming heeft verleend de arbeidsverhouding - op medische gronden - te beëindigen, kan daar niet aan afdoen. De verzekeringsarts kan worden gevolgd in het standpunt dat het advies van de medisch adviseur weliswaar melding maakt van beperkingen als gevolg van stress maar dit standpunt niet is beargumenteerd en dat geen oorzakelijke factor is genoemd. Hetzelfde geldt voor de op dit advies gebaseerde ontslagvergunning van het Gewestelijk Arbeidsbureau.

4.7.

Met betrekking tot het gestelde over de late aanvraag en de bewijslastverdeling wordt als volgt overwogen. In de gedingstukken zijn onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen aannemen, zoals appellant heeft betoogd, dat hij niet eerder in de gelegenheid was een aanvraag om uitkering ingevolge de WAO te doen. Appellant heeft zijn aanvraag ingediend in 2010, derhalve bijna 30 jaar na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Dit terwijl hij wel in augustus 1985 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de WW heeft gedaan. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld - onder meer zijn uitspraak van 3 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:BD4453 - moet de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico blijven van degene die (alsnog) de aanvraag doet.

4.8.

Gezien wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.7, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) P. Uijtdewillegen

NK