Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
14-492 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beëindiging loonsuppletie. Op grond van artikel 15, vijfde lid, van de BBWO eindigt het recht op loonsuppletie voor zover de betrokkene arbeidsuren, alsmede het recht op onverminderde loonbetaling over die arbeidsuren, uit zijn nieuwe dienstbetrekking verliest. Appellant heeft na 5 juli 2012 geen werkzaamheden verricht en geen loon ontvangen, zodat hij na 5 juli 2012 geen recht meer heeft op loonsuppletie. 2) Dwangsom. Appellant heeft op 1 mei 2012 de minister in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een loonsuppletie en de minister heeft op 7 mei 2012 op deze aanvraag beslist. De minister heeft derhalve binnen 14 dagen na de ingebrekestelling beslist, zodat hij geen dwangsom verschuldigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/492 AW

Datum uitspraak: 18 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 december 2013, 12/1556, 13/1031 en 13/4129 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Holtrigter en H. Hendriks.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 6 maart 2012 heeft appellant een aanvraag ingediend voor loonsuppletie als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO). Appellant heeft bij email van 1 mei 2012 de minister in gebreke gesteld vanwege overschrijding van de beslistermijn. Bij besluit van 7 mei 2012 heeft de minister loonsuppletie toegekend. Nadat appellant de minister bij email van 11 mei 2012 had gewezen op onjuistheden in de beslissing van 7 mei 2012, heeft de minister op 7 juni 2012 een gewijzigd besluit genomen. Daarbij is eveneens loonsuppletie toegekend, ditmaal met in achtneming van een andere ingangsdatum en een lager nieuw bruto salaris.

1.2.

Bij besluit van eveneens 7 juni 2012 (beëindigingsbesluit) heeft de minister het recht op loonsuppletie met ingang van 5 juli 2012 beëindigd op de gronden dat voor mensen die in het buitenland gaan werken een eenmalige maximale doorloop van de loonsuppletie van drie maanden geldt en dat de arbeidsovereenkomst van appellant als leerkracht per 5 juli 2012 zal aflopen, waarna het recht op loonsuppletie zal vervallen.

1.3.

Appellant heeft tegen beide besluiten van 7 juni 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 september 2012 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft de minister het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit ongegrond verklaard. De minister heeft de eerste grond voor de beëindiging niet gehandhaafd en overwogen dat appellant achteraf bezien geen recht had op loonsuppletie. Op het verzoek om een dwangsom wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag om loonsuppletie is afwijzend beslist.

3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de beëindiging van het recht op loonsuppletie ingevolge het BBWO, ongegrond verklaard en het daarmee verband houdende verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat ter zitting is gebleken dat appellants beroep is beperkt tot de beëindiging van de loonsuppletie en de, volgens appellant (mede) als gevolg daarvan, door hem geleden schade. Niet in geschil is echter dat appellant na 5 juli 2012 geen werkzaamheden heeft verricht en geen loon heeft ontvangen, zodat hij na 5 juli 2012 geen recht meer heeft op loonsuppletie. De beëindiging van de loonsuppletie per 6 juli 2012 is daarmee rechtmatig. Voor schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geen plaats.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Beëindiging

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het beëindigingsbesluit van 7 juni 2012 en het bestreden besluit ondeugdelijk zijn gemotiveerd en dat de rechtbank zich ten onrechte niet daarover heeft uitgelaten. Dit betoog slaagt niet. In de eerste plaats was de minister in het kader van de heroverweging in bezwaar gerechtigd de motivering van de beëindiging te wijzigen of aan te vullen. In het bestreden besluit heeft de minister aan de beëindiging ten grondslag gelegd dat appellant achteraf geen recht had op loonsuppletie, maar het standpunt dat het recht daarop in elk geval na 5 juli 2012 is vervallen wegens het aflopen van de arbeidsovereenkomst en de werkzaamheden van appellant is hierbij niet verlaten.

4.2.

Op grond van artikel 15, vijfde lid, van de BBWO eindigt het recht op loonsuppletie voor zover de betrokkene arbeidsuren, alsmede het recht op onverminderde loonbetaling over die arbeidsuren, uit zijn nieuwe dienstbetrekking verliest. Gelet op deze bepaling is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit kan worden gedragen door de grond dat het recht op loonsuppletie per 5 juli 2012 is geëindigd.

4.3.

In hoger beroep heeft appellant voorts naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Artikel 8:73 (oud), eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan kan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Nu van een gegrond beroep geen sprake was, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat voor vergoeding van schade geen plaats is.

Dwangsom

4.4.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 1 mei 2012 de minister in gebreke heeft gesteld voor het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een loonsuppletie en dat de minister op 7 mei 2012 op deze aanvraag heeft beslist.

4.4.2.

De minister heeft binnen 14 dagen na de ingebrekestelling beslist, zodat hij geen dwangsom verschuldigd is. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen doet daar niet aan af dat de beslissing van 7 mei 2012 geacht kan worden te zijn ingetrokken met het toekenningsbesluit van 7 juni 2012. Dat appellant in zijn e-mail van 11 mei 2012 te kennen heeft gegeven dat, vanwege de onjuistheden in de beslissing van 7 mei 2012, de minister nog steeds in gebreke was, leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M.T. Boerlage en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD