Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
11-2773 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte financiële tegemoetkoming voor het realiseren van een uitbouw met slaapkamer en natte cel in de woning eigendom van de moeder van appellant. De gemeente heeft bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding ten onrechte de verwachte waardevermeerdering van de woning op de aanneemsom van de uitbouw in mindering gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/68
USZ 2015/80 met annotatie van M.F. Vermaat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2773 WMO, 14/6556 WMO

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

30 maart 2011, 10/5114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

PROCESVERLOOP

Appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder mr.[naam moeder], heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. Voor appellant is mr. [naam moeder] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Karsten en
Y. Winter. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het college heeft op 25 juni 2014 een herziene beslissing op bezwaar genomen.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014, waar mr. [naam moeder] en Y. Winter zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

De moeder van appellant (geboren op [datum] 1998) heeft op 9 juli 2008 het college gevraagd om een aanpassing van de woning aan de [adres], op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college heeft in een besluit van
28 oktober 2009 meegedeeld appellant te compenseren met een financiële tegemoetkoming van maximaal € 15.000,- als tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van de woning. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft in een besluit van 7 juni 2010 het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting op 2 oktober 2013 heeft het college nader onderzoek verricht en op 25 juni 2014 een herziene beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit heeft het college het besluit van 7 juni 2010 ingetrokken. Verder heeft het college aan appellant een financiële tegemoetkoming van maximaal € 30.311,19 toegekend voor het realiseren van een uitbouw met slaapkamer en natte cel in de woning aan de [adres]. De aanneemsom voor deze uitbouw bedraagt € 46.311,19. Na realisatie van de uitbouw stijgt de WOZ-waarde met € 16.000,-. Deze waardevermeerdering komt ten gunste van de moeder van appellant als eigenaar van de woning en wordt om die reden in mindering gebracht op de financiële tegemoetkoming.

4. De Raad oordeelt het volgende.

4.1.

In het besluit van 25 juni 2014 heeft het college het besluit van 7 juni 2010 ingetrokken. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak die op dat besluit betrekking heeft moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.2.

Omdat het besluit van 25 juni 2014 niet volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet komt, wordt dit nieuwe besluit op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrokken.

4.3.

Appellant kan zich verenigen met het besluit van 25 juni 2014 voor wat betreft het uitgangspunt dat, gelet op zijn beperkingen, voor het bezoekbaar maken van de woning een uitbouw met slaapkamer en natte cel adequaat is. Ook betwist hij niet de hoogte van de aanneemsom. Aanvankelijk heeft appellant aangevoerd dat er voor de bouw van de uitbouw nog allerlei bijkomende kosten zijn, namelijk voor een bouwvergunning, de precario en leges, het schilderwerk binnen en buiten en de wand- en vloerafwerking. Ter zitting van
26 november 2014 heeft Y. Winter namens het college gesteld dat de financiering van de bouw door het college ook deze posten bevat (behalve wandafwerking en vloerbedekking in de slaapkamer), ook als daarmee het bedrag van € 30.311,19 zou worden overschreden. Partijen hebben daarna onderling besloten dat uitsluitend nog in geschil is de vraag of al dan niet terecht het bedrag van € 16.000,- in mindering is gebracht op het te financieren bedrag.

4.4.

Deze mindering is gebaseerd op artikel 25 van de Verordening individuele voorziening maatschappelijke ondersteuning Leidschendam-Voorburg 2009 (Verordening). Daarin is het volgende bepaald:

“Aan de eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een financiële tegemoetkoming in de kosten van het treffen van een voorziening kan ontvangen en waarbij vast staat dat de woning door het treffen van de voorziening meerwaarde verkrijgt, kan het college een financiële tegemoetkoming verstrekken minus de meerwaarde.”

In de toelichting op dit artikel staat het volgende:

“In het geval dat een eigen woning wordt aangepast en door deze aanpassing de waarde van de woning stijgt, bijvoorbeeld door het realiseren van een aanbouw, kan een financiële vergoeding worden verstrekt minus de meerwaarde. Dit om te voorkomen dat de meerwaarde die het huis door aanpassing heeft verkregen ten goede komt aan de gehandicapte. Het college stelt vast op welke wijze aan dit artikel uitvoering wordt gegeven.”

4.5.

Appellant betwist dat een waardestijging van € 16.000,- reëel is. Vastgesteld moet worden dat een nadere onderbouwing van dit bedrag ontbreekt. De Raad laat dat verder in het midden, omdat al op grond van de tekst en het doel van artikel 25 van de Verordening niet aangenomen kan worden dat het ziet op een situatie als de onderhavige. Appellant is immers de aanvrager in de zin van artikel 1, aanhef en onder Gg, van de Verordening, de persoon met beperkingen ten behoeve van wie de voorziening wordt aangevraagd. De voorziening wordt hem toegekend. De woning aan de [adres] behoort niet hem in eigendom toe, maar zijn moeder, tevens wettelijk vertegenwoordiger. Daarmee is de grond aan de mindering op de aanneemsom komen te ontvallen.

4.6.

Dat houdt in dat het beroep tegen het besluit van 25 juli 2014 slaagt, voor zover daarin een bedrag van € 16.000,- in mindering is gebracht op de aanneemsom. Overigens merkt de Raad nog het volgende op. Ter zitting is de mogelijkheid besproken dat een aannemer bereid wordt gevonden om tegen een lagere aanneemsom de bouw te verrichten. Daarbij is ook besproken dat het verschil ten gunste van appellant zou komen. Dat moet echter gezien worden tegen de achtergrond van de vermindering van de aanneemsom met € 16.000,-. Door deze uitspraak is die situatie niet meer aan de orde.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juli 2014 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover daarin een bedrag van € 16.000,- in mindering is gebracht op de aanneemsom;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) W. de Braal

nk