Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
12-6688 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6688 WIA, 14/1437 WIA

Datum uitspraak: 19 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

15 november 2012, 12/2363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/1437 plaatsgehad op 7 april 2015. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Appellant is verschenen met bijstand van mr. R. Küҫükünal, advocaat en T. Cetinkaya, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als loodsmedewerker, aan het dienstverband is op 1 juli 2009 een einde gekomen. Op 14 juni 2009 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 13 juni 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

1.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, na bestudering van de dossiergegevens, het bijwonen van de hoorzitting en een eigen onderzoek in het rapport van 23 mei 2012 gesteld geen aanleiding te zien om af te wijken van de beoordeling van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht appellant belastbaar conform de op 25 januari 2012 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 27 juni 2012 geconcludeerd dat voor appellant onder meer de functies medewerker kleding en textiel (111161), magazijn, expeditiemedewerker (111220) en medewerker tuinbouw (111010) geselecteerd kunnen worden, waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage uitkomt op 24,37%, zodat er geen recht bestaat op

WIA-uitkering. Overeenkomstig de conclusies van deze rapporten heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Over het rapport van 27 augustus 2012 van drs. S.W. Hofman, psychiater, heeft de rechtbank vastgesteld dat die informatie niet ziet op de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 27 juni 2012 uitvoerig de geschiktheid van de functies heeft gemotiveerd. Voor zover er sprake is van overschrijding van de belastbaarheid, is de geschiktheid eveneens voldoende gemotiveerd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg heeft gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naar aanleiding van dit overleg is geconcludeerd dat de geduide functies ook wat betreft totaalbelasting binnen de aangegeven belastbaarheid passen.

3. In hoger beroep heeft appellant gewezen op zijn psychische klachten. Appellant heeft ook nadere informatie van zijn behandelaars overgelegd. Appellant is van mening dat de door hem ingebrachte informatie van psychiater S. Gülsaҫan te gemakkelijk terzijde is geschoven. Appellant is van mening dat het Uwv en de rechtbank door een gekleurde bril naar de gezondheidstoestand van appellant hebben gekeken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet aanleiding allereerst een oordeel te geven over de stelling van appellant dat het Uwv, zowel als de rechtbank, blijk heeft gegeven van vooringenomenheid. De Raad kan deze stelling niet onderschrijven. Zowel het Uwv als de rechtbank hebben alle beschikbare gegevens bij de beoordeling betrokken. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen hun oordeel over de gezondheidssituatie van appellant hebben gevormd door andere dan medische argumenten. Evenmin is gebleken dat de uitspraak van de rechtbank op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen dan wel niet concludent is. De Raad wijst er op dat appellant zelf in hoger beroep informatie over de maatregelen die met betrekking tot Gülsaçan zijn genomen heeft ingebracht. De rechtbank beschikte niet over die informatie.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid gesteld dat er geen grond is om te oordelen dat de beoordeling door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 mei 2012 en van 15 november 2013 blijkt dat appellant is onderzocht en dat er uitgebreid kennis is genomen van de informatie van de behandelend artsen. De informatie van Gülsaҫan ziet niet op de datum in geding, maar op 25 mei 2010 en 10 oktober 2013. In dit geding staat ter beoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid op

13 juni 2011. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant - diverse door appellant ingediende medische rapporten dateren van ruim na 13 juni 2011- kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Voor inschakeling van een deskundige, zoals verzocht door appellant, ziet de Raad dan ook evenmin als de rechtbank aanleiding.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde functionele beperkingen, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat in de arbeidskundige rapporten voldoende is toegelicht dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant niet te boven ging.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) K. de Jong

NK