Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
14-1377 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1377 WWB

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 februari 2014, 12/3954 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Namens appellant is

mr. Witlox verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.P.C. Schouten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 19 juli 2012 heeft de casemanager van appellant een trajectplan vastgesteld, waarin voor appellant een activiteitenplan is vastgesteld onder meer inhoudende een werkervaringsplaats Schone Ruimte gedurende minimaal drie maanden voor 24 uur per week.

1.3.

Bij besluit van 31 oktober 2012 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het trajectplan van 19 juli 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep dient eerst ambtshalve de vraag te worden beantwoord of appellant voldoende procesbelang heeft in hoger beroep.

4.2.

Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Het in geding zijnde traject is niet meer actueel. Appellant wenst echter een principiële uitspraak van de Raad over de vraag of de verplichting mee te werken aan het traject ook van toepassing is voor zover het traject samenvalt met de aan hem opgelegde maatregel bestaande uit een verlaging van de bijstand met 100%, wat het geval is gedurende de periode van 23 juli 2012 tot 1 augustus 2012. Naar zijn mening heeft hij er - ook voor de toekomst - belang bij dat de Raad deze vraag beantwoordt.

4.3.

Aangenomen moet worden dat appellant geen actueel (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het geven van een uitspraak over het in geding zijnde traject heeft, zoals namens appellant ter zitting is toegelicht, nu alleen nog principiële betekenis. De Raad heeft meermalen uitgesproken dat hij daartoe niet is gehouden (uitspraken van 28 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1518, en van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8633). De Raad is slechts gehouden tot het beslechten van geschillen. Ook verder is niet van een procesbelang gebleken. Daarvoor is onvoldoende dat mogelijk in de toekomst tussen partijen wederom discussie ontstaat over (de invulling van) een re-integratietraject.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C.M. Fleuren

HD