Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
14-969 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Standplaatswijziging. De huisvesting van het team A&O T is in Utrecht gelegen. Vanuit Utrecht vond de aansturing en verantwoording plaats en is Utrecht tevens de locatie waar overleggen plaatsvonden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het op grond van die gegevens niet onredelijk is dat de staatssecretaris Utrecht heeft aangewezen als standplaats van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/969 AW

Datum uitspraak: 4 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

8 januari 2014, 13/2129 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.B. Tol hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015. Voor appellant is mr. Tol verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Fokkens-Kuiper en mr. J.M. Huisman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst als medewerker van het Kenniscentrum Business Cases (KBC). Als gevolg van de overgang van het KBC naar de eenheid Belastingdienst/Centrum voor Proces- en Productontwikkeling (B/CPP) is appellant met ingang van 1 januari 2009 met behoud van zijn standplaats Apeldoorn geplaatst op de stafafdeling Advies, Kwaliteit en Control in de functie van adviseur.

1.2.

Per 1 januari 2010 is de eenheid B/CPP grotendeels opgegaan in de nieuwe eenheid Informatiemanagement/Belastingregio’s (IMB). Appellant is met ingang van die datum met behoud van zijn standplaats Apeldoorn geplaatst in de functie van strategisch adviseur business cases op de stafafdeling Portfoliomanagement bij IMB.

1.3.

Appellant is op 1 mei 2011 of 1 juni 2011 op zijn verzoek overgeplaatst naar de afdeling Account en Ontwerp Toezicht (A&O T) van IMB.

1.4.

Bij besluit van 10 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris de standplaats van appellant met ingang van 1 juli 2012 gewijzigd in Utrecht. Daarbij is overwogen dat alle werkzaamheden van appellant in of vanuit Utrecht plaatsvinden en hij eveneens vanuit Utrecht wordt aangestuurd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het aan de staatssecretaris is om de inrichting van de werkzaamheden te bepalen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de huisvesting van het team A&O T, waarvan appellant deel uitmaakte, in Utrecht is gelegen, dat de aansturing en verantwoording in en vanuit Utrecht plaatsvinden en dat Utrecht tevens de locatie is waar overleggen plaatsvinden. De rechtbank heeft het daarom niet onredelijk geacht dat de staatssecretaris Utrecht heeft aangewezen als standplaats van appellant.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de afdeling A&O T standplaats in Utrecht heeft en dat dit doorwerkt naar de standplaats van appellant. Deze beroepsgrond berust op een verkeerde lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat de afdeling A&O T standplaats heeft in Utrecht, maar wel dat de huisvesting van het team A&O T in Utrecht is gelegen en dat vanuit Utrecht de aansturing en verantwoording plaatsvond en Utrecht tevens de locatie is waar overleggen plaatsvonden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het op grond van die gegevens niet onredelijk is dat de staatssecretaris Utrecht heeft aangewezen als standplaats van appellant.

4.2.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat collectieve afspraken zijn gemaakt over het behoud van standplaats en dat de wijziging van zijn standplaats met ingang van 1 juli 2012 daarmee in strijd is. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft appellant verwezen naar een brief van 4 april 2014 van de voorzitter van de Ondernemingsraad Stafdirecties Belastingen (D) met bijlagen.

4.2.2.

In de door appellant overgelegde stukken komt naar voren dat naar aanleiding van de onder 1.2 genoemde opheffing van B/CPP per 1 januari 2010 tussen de bestuurder en de ondernemingsraad van B/CPP de afspraak is gemaakt dat gedurende de transformatieperiode de standplaats van de medewerkers niet zonder hun instemming kan worden gewijzigd en dat die afspraak de instemming had van de Directeur-generaal Belastingdienst. De betreffende transformatieperiode liep tot en met 31 december 2010. In de notulen van het overleg van

24 november 2010 van de (tijdelijke) ondernemingsraad en de bestuurder van het Landelijk Kantoor Belastingregio’s (LKB) in oprichting wordt vermeld dat de bestuurder heeft besloten dat de met medewerkers in het kader van de transformatie en oprichting van het LKB gemaakte afspraken in stand blijven en worden verlengd tot formeel het LKB een feit is.

4.2.3.

De door appellant gegeven onderbouwing is onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat ook op de datum van de wijziging van zijn standplaats hij de garantie had dat zijn standplaats niet zonder zijn instemming kon worden gewijzigd. De standplaatswijziging vond plaats met ingang van 1 juli 2012. De collectieve afspraken waar appellant melding van maakt, hebben daarentegen betrekking op de periode die eindigt op het moment waarop het LKB een feit is. Tussen partijen is niet in geschil dat dat op 1 januari 2012 het geval was. Van belang in dit verband is voorts dat D in zijn brief van 4 april 2014 te kennen heeft gegeven dat bij de onder 1.3 genoemde organisatiewijziging per 1 januari 2011 door het toenmalige medezeggenschapsorgaan geen advies is uitgebracht en geen afspraken zijn gemaakt over wijzigingen van standplaats. De onder 4.2.1 weergegeven beroepsgrond treft dan ook geen doel.

4.3.

Appellant heeft ten slotte nog aangevoerd dat B zich in een vergelijkbare positie bevond als appellant. Voor zover appellant daarmee wil betogen dat de staatssecretaris in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, volgt de Raad hem daarin niet. Uit de door appellant overgelegde werkplekgegevens van B blijkt slechts dat B deel uitmaakt van het in Utrecht gevestigde Team Portfoliomanagement en dat het gebouw waarin B zijn werkplek had in Apeldoorn was gelegen. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat de standplaats van appellant die voor A&O T werkzaam was in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gewijzigd in Utrecht.

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2015.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) S.W. Munneke

HD