Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2015
Datum publicatie
29-01-2015
Zaaknummer
13-3424 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3424 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 mei 2013, 13/968 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 16 december 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 18 oktober 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft op 23 november 2011, als eigenaar, de onderneming [naam onderneming]ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

1.2.

Appellant is op 20 maart 2012 verschenen op een bijeenkomst die werd gehouden in verband met de door hem te volgen taaltoets. Tijdens die bijeenkomst heeft hij medegedeeld dat hij niet kon deelnemen omdat hij van maandag tot en met vrijdag werkt in een garage.

1.3.

Bij besluit van 31 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 januari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 juni 2012 ingetrokken. Die intrekking berust op de grond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij als zelfstandige werkzaamheden verrichtte, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant op 23 november 2011 zijn eenmanszaak [naam onderneming]heeft ingeschreven in het handelsregister, dat hij sinds 1 januari 2012 een boekhouder heeft en dat hij sinds maart 2012 als zelfstandige werkzaamheden verricht. Hij heeft dat niet bij het college gemeld. Appellant stelt weliswaar dat hij het college op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om als zelfstandige te beginnen, maar het hebben van een voornemen is niet gelijk te stellen aan het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden als zelfstandige. Het als zelfstandige verrichten van werkzaamheden is van invloed op het recht op bijstand. Door daarvan geen melding te maken bij het college, heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Het beroep dat appellant in dit kader doet op de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen slaagt niet. De ministeriële regeling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB is nog niet vastgesteld. Uit de uitspraak van de Raad van 26 maart 2013 (ECLI:CRVB:2013:BZ5633) volgt dat de op appellant rustende inlichtingenverplichting daarom onverkort van toepassing is gebleven.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. De enkele stelling van appellant dat hij onvoldoende inkomsten heeft genoten om in zijn levensonderhoud te voorzien, is daarvoor onvoldoende. Het college heeft appellant in de bezwaarfase in de gelegenheid gesteld om met nadere stukken te onderbouwen dat hij, als hij wel aan zijn inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, (aanvullend) recht op bijstand zou hebben gehad. In dat kader is gevraagd om kwartaaloverzichten van de boekhouder en om afschriften van de bankrekening van de eenmanszaak van appellant. Appellant heeft die stukken niet overgelegd. In plaats daarvan heeft hij een resultatenrekening overgelegd. Daarvan is niet duidelijk op welke periode deze betrekking heeft, zodat de resultatenrekening reeds om die reden geen aanknopingspunten biedt voor het antwoord op de vraag of appellant recht had op (aanvullende) bijstand. Dit betekent dat appellant er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat, indien hij wel aan zijn inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, hij aanvullend recht op bijstand zou hebben gehad.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) T.A. Meijering

HD