Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
13-2586 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor kosten beheer persoonsgebonden budget door bewindvoerder zijn de AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) niet aan te merken als een voorliggende voorziening. Kosten beheer persoonsgebonden budget zijn geen noodzakelijke kosten a.b.i. art. 35, eerste lid, WWB, omdat betrokkene ook had kunnen kiezen voor zorg in natura.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 15
Wet werk en bijstand 35
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 6
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 44
Besluit zorgaanspraken AWBZ
Besluit zorgaanspraken AWBZ 6
Regeling subsidies AWBZ
Regeling subsidies AWBZ 1.1.1
Regeling subsidies AWBZ 2.6.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/262 met annotatie van I.M. Lunenburg
RSV 2015/138
JWWB 2015/133

Uitspraak

13/2586 WWB

Datum uitspraak: 21 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2013, 12/2724 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.G.C. Bocxe, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/2588 WWB plaatsgehad op

2 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang. Namens betrokkene is verschenen mr. B.E.J. Torny, advocaat, kantoorgenoot van mr. Bocxe, en P.H. van Dam, werkzaam bij Balans Casemanagement B.V.

De Raad heeft het onderzoek heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest. Namens betrokkene heeft mr. Bocxe bij brief van 9 oktober 2014 vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft daarop gereageerd bij brief van 12 december 2014.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/2588 WWB plaatsgevonden op 7 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang. Namens betrokkene is verschenen mr. Bocxe. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij beschikking van 26 juli 2011 van de rechtbank Amsterdam heeft de kantonrechter met ingang van diezelfde datum de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld en een bewindvoerder benoemd. Bij beschikking van 19 oktober 2011 heeft de kantonrechter met ingang van die datum Balans Casemanagement B.V. benoemd tot opvolgend bewindvoerder. Aan betrokkene is op zijn aanvraag bij besluit van 4 januari 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend voor de kosten van bewindvoering, tot een bedrag van € 393,30.

1.2.

Betrokkene beschikte over een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Hij ontving deze zorg in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Op 8 februari 2012 heeft betrokkene bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van beheer van het pgb door de bewindvoerder met betrekking tot het jaar 2012 tot een bedrag van € 490,87. De werkzaamheden van de bewindvoerder omvatten onder andere: het openen en onderhouden van een bankrekening op naam van de budgethouder, het controleren van indicatie, zorgbeschikking en uitbetaling van voorschotten, het berekenen van te besteden bedragen voor zorg, het zoeken en vinden van geschikte zorgverleners, het opstellen, wijzigen of ontbinden van zorgovereenkomsten, het betalen van de zorgverleners of zorginstelling, het onderhouden van contacten met budgethouders en zorgverleners, het tweemaal per jaar verantwoorden aan het Zorgkantoor van de besteding van het pgb en het desgevraagd aanleveren van alle documenten die door het Zorgkantoor gevraagd worden bij een intensieve controle.

1.3.

Bij besluit van 24 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 april 2012 (bestreden besluit), heeft appellant deze aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming is - voor zover in hoger beroep nog van belang - het volgende ten grondslag gelegd. De AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) zijn te beschouwen als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB, aangezien de kosten van bewind ten behoeve van het beheer van het pgb op grond van de Rsa - in ieder geval gedeeltelijk - uit het pgb kunnen worden betaald. Voor zover dit niet het geval is, zijn deze kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk aangemerkt en wordt daarvoor op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB geen bijzondere bijstand verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 24 februari 2012 herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan betrokkene voor het jaar 2012 bijzondere bijstand wordt toegekend tot een bedrag van € 490,87. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Rsa geen voorziening is die, gezien haar aard en doel, voor betrokkene passend en toereikend is in die zin dat hij daarop een beroep kan doen voor de kosten van bewind. Verder is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de in artikel 35, eerste lid, van de WWB genoemde voorwaarden voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand, omdat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is verzocht zich voordoen en noodzakelijk zijn. De keuze die de wetgever heeft gegeven aan degene die in aanmerking komt voor zorg op grond van de AWBZ om zorg te ontvangen in de vorm van een pgb of als zorg in natura (ZIN), maakt niet dat de kosten van bewind die met het beheer van het pgb zijn verbonden niet noodzakelijk zijn.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de toepasselijke bepalingen van de WWB verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Partijen zijn allereerst verdeeld over het antwoord op de vraag of de AWBZ en de Rsa aangemerkt kunnen worden als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15,

eerste lid, van de WWB.

4.2.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AWBZ heeft een verzekerde ingevolge die wet aanspraak op, kort gezegd, - medische - zorg en begeleiding. Aard, inhoud en omvang van de aanspraak op AWBZ-zorg, bedoeld in voormeld artikellid, zijn ingevolge artikel 6, tweede lid, van de AWBZ, geregeld in het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (Bza). In artikel 6, derde lid, van het Bza, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, is geregeld welke vormen van begeleiding ten laste van de AWBZ kunnen komen. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de AWBZ kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat subsidies worden verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van een aanspraak op grond van deze wet te gelde te maken, zelf te voorzien in de benodigde zorg. Deze ministeriële regeling is de Rsa, die per 1 januari 2015 is komen te vervallen. De hierna genoemde bepalingen uit de Rsa zijn de bepalingen zoals deze luidden ten tijde in geding.

4.3.

Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef en onder p, van de Rsa, in samenhang met de onderdelen j en k van dit artikel, wordt onder pgb verstaan: een subsidie waarmee de verzekerde onder bepaalde voorwaarden aan hem te verlenen zorg als persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, vervoer en kortdurend verblijf als bedoeld in het Bza kan inkopen. In

artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa, is bepaald dat de verzekerde het pgb uitsluitend mag gebruiken voor het betalen van deze zorg en de betaling van bemiddelingskosten onder de in onderdeel k opgenomen voorwaarden. Eén van de in onderdeel k van artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa opgenomen voorwaarden is dat de organisatie waaraan de verzekerde bemiddelingskosten betaalt beschikt over een door het Keurmerkinstituut vastgesteld keurmerk voor bemiddelingsbureaus. In onderdeel e van dit artikellid is bepaald dat en op welke wijze de verzekerde verantwoording moet afleggen over de besteding van het pgb. In artikel 2.6.9, derde lid, van de Rsa is bepaald dat de verzekerde per kalenderjaar een bepaald deel van het pgb, een bedrag van ten minste € 250,- en ten hoogste € 1.250,-, mag gebruiken voor andere betalingen dan hiervoor bedoeld. Voor dit deel van het pgb geldt de verantwoordingsplicht niet.

4.4.

Gelet op de in 4.2 en 4.3 weergegeven bepalingen kan betrokkene uit hoofde van de AWBZ of de Rsa geen aanspraak maken op - een vergoeding van de kosten van - bewindvoering. Het voeren van bewind over goederen is immers niet aan te merken als zorg of begeleiding in de zin van de AWBZ. Reeds om die reden is de Raad met de rechtbank en anders dan appellant van oordeel dat de AWBZ en de Rsa naar hun aard en doel voor de kosten van bewindvoering niet zijn aan te merken als een voorliggende voorziening als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, aanhef en onder f (oud), en 15, eerste lid, van de WWB.

4.5.

Anders dan appellant betoogt, moeten de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd worden aangemerkt als kosten van bewind, te weten de kosten voor de werkzaamheden van de bewindvoerder, en niet (ook) als kosten die voortvloeien uit het pgb. Het pgb is één van de goederen die onder het bewind vallen. Het beheer van een pgb behoort tot de gebruikelijke werkzaamheden van de bewindvoerder. Betrokkene had het beheer van zijn pgb zelf kunnen doen als hij niet onder bewind was gesteld.

4.6.

De beroepsgrond dat een deel van de kosten van bewind moet worden aangemerkt als bemiddelingskosten die op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a en onder k, van de Rsa uit het pgb kunnen worden betaald, slaagt niet. De door appellant gestelde samenhang tussen bemiddeling en bewind brengt, wat daar ook van zij, niet met zich dat de kosten van het bewind ten behoeve van het beheer van het pgb gelijkgesteld kunnen worden met voornoemde bemiddelingskosten. Uit 1.2 blijkt immers dat het beheer van het pgb ziet op verdergaande activiteiten dan bemiddeling, waaronder wordt verstaan het bij elkaar brengen van zorgverlener en zorgaanbieder.

4.7.

De beroepsgrond dat de kosten van bewind moeten worden voldaan uit het verantwoordingsvrije deel van het pgb als bedoeld in artikel 2.6.9, derde lid, van de Rsa, slaagt evenmin. Hoewel het betrokken Zorgkantoor in een brief van 21 mei 2012 de bewindvoerder heeft bericht dat de kosten van bewind vanuit het verantwoordingsvrije bedrag van het pgb, voor betrokkene op 21 mei 2012 tot een bedrag van € 97,-, mogen worden voldaan, is er geen rechtsregel aan te wijzen die daartoe verplicht. Dit bedrag is bovendien ontoereikend voor de in geding zijnde kosten van bewind. Ten slotte heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het voor betrokkene mogelijk was om dit bedrag te besteden aan de kosten van bewind in plaats van aan AWBZ-zorg.

4.8.

Anders dan appellant stelt, volgt uit de beschikking van het Gerechtshof Leeuwarden van 12 april 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2772) inzake de extra kosten ten aanzien van het beheer van een pgb alleen dat deze kosten door een bewindvoerder in rekening gebracht mogen worden en niet dat deze ten laste van het pgb (moeten) komen.

4.9.

Appellant heeft zich voorts gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 35, eerste lid, van de WWB. In dat kader heeft appellant aangevoerd dat de kosten van bewind geen noodzakelijke kosten zijn, omdat betrokkene deze kosten had kunnen vermijden door te kiezen voor ZIN.

4.10.

Deze beroepsgrond treft doel. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Ter zitting van de Raad is naar voren gekomen dat betrokkene erkent dat hij om hem moverende redenen heeft gekozen voor zorg in de vorm van een pgb en niet voor zorg in de vorm van ZIN. In dat verband heeft betrokkene, evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak, erop gewezen dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd om degene die in aanmerking komt voor zorg op grond van de AWBZ de vrije keuze te laten tussen zorg in de vorm van een pgb en ZIN. Dat betrokkene tussen deze vormen van zorg kan kiezen, doet er echter niet aan af dat de gevolgen van de door betrokkene gemaakte keuze voor zorg in de vorm van een pgb, te weten de kosten die zijn gemoeid met het beheer van het pgb, niet op de bijstand behoren te worden afgewenteld. Deze gevolgen komen voor rekening van betrokkene.

4.11.

Gelet op 4.10 is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de kosten waarvoor betrokkene bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De aanvraag om bijzondere bijstand is dus terecht afgewezen, zij het op onjuiste gronden.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het besluit van 24 februari 2012 is herroepen en zelf in de zaak is voorzien. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 24 februari 2012 is

herroepen en zelf in de zaak is voorzien;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 april 2012 in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.H. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD