Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
14-2790 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is er niet in geslaagd het verlangde bewijs te leveren. Appellant behoefde geen aanleiding te zien met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening over (een deel van) de periode voorafgaand aan de controle.

Hoger beroep slaagt. Vernietiging uitspraak. Beroep betrokkene ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2790 WSF

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 mei 2014, 13/3699 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A. van den Berg een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van

20 oktober 2012 heeft appellant de toekenning voor het jaar 2013 voortgezet.

1.2.

Op 11 februari 2013 hebben twee controleurs in opdracht van appellant een huisbezoek afgelegd op het adres in [plaatsnaam], waaronder betrokkene op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) was ingeschreven, om te controleren of hij op dit adres woonachtig was. Van dit huisbezoek is op 12 februari 2013 een rapportage opgemaakt. Daarin is het volgende vermeld:

“In de woning laat de heer [naam X] de kamer van student zien. Het gaat hier om een kamer die niet groter is dan 4 m2. De kamer is zo klein dat hier alleen een bed in staat en een klein laag kastje. Op het bed liggen allerlei spullen van de heer [naam X]. (…)

Als wij de heer [naam X] vertellen dat wij niet geloven dat student hier woont omdat wij dit kamertje meer zien als een rommelkamer van de heer [naam X], antwoordt de heer [naam X] dat student meestal bij zijn vriendin/ouders slaapt. Hij geeft aan dat student 2x per week op dit adres slaapt. (…)”

1.3.

Appellant heeft op basis van de onder 1.2 genoemde rapportage de aanvankelijk over de periode januari 2012 tot en met december 2013 aan betrokkene toegekende studiefinanciering bij besluit van 2 maart 2013 herzien, in die zin dat betrokkene vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het tot en met februari 2013 aan betrokkene te veel betaalde bedrag van € 2.676,48 is daarbij van hem teruggevorderd.

1.4.

Appellant heeft het tegen het besluit van 2 maart 2013 gemaakte bezwaar bij besluit van 29 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit de door de controleurs opgemaakte rapportage is gebleken dat er op het gba-adres geen spullen van betrokkene zijn aangetroffen en dat op de kamer die als kamer van betrokkene is getoond spullen lagen die toebehoorden aan de hoofdbewoner. De omstandigheid dat betrokkene alleen van de als zijn kamer getoonde ruimte gebruik maakt om enkele malen per week te slapen wijst niet op een situatie waarbij sprake is van bewoning door betrokkene van het gba-adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van

2 maart 2013 herroepen. Daartoe is overwogen dat niet uit de rapportage blijkt dat aan de huisbaas is gevraagd of de spullen van de huisbaas zijn. Nu niet duidelijk is op grond waarvan de controleurs de conclusie hebben getrokken dat de spullen op het bed aan de huisbaas toebehoren en betrokkene dit betwist, moet het ervoor worden gehouden dat niet kan worden uitgesloten dat de spullen op het bed aan betrokkene toebehoren. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de controleurs er kennelijk voor hebben gekozen om niet uit eigen beweging in de badkamer te kijken. De gevolgen van die keuze dienen voor rekening en risico van appellant te komen. Nu betrokkene heeft gesteld dat ten tijde van het huisbezoek in de badkamer spullen van hem stonden en appellant het tegendeel niet heeft aangetoond, komt de rechtbank tot de conclusie dat de juistheid van de stelling van betrokkene niet valt uit te sluiten. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de controleurs hebben nagelaten de inhoud van het kastje te onderzoeken, zodat de juistheid van de stelling van betrokkene - dat in het kastje zijn kleding lag - niet kan worden uitgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet komen vast te staan dat geen kleding van betrokkene in de woning aanwezig was.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de verklaring van de hoofdbewoner kan worden afgeleid dat betrokkene ten tijde van de controle niet (meer) het centrum van zijn sociale en maatschappelijke activiteiten had op zijn gba-adres, zodat moet worden geconcludeerd dat hij daar op dat moment niet (meer) woonde. Daarbij heeft appellant ook gewezen op een e-mail van de hoofdbewoner van 17 februari 2014 waarin deze verklaart dat betrokkene de laatste maand à anderhalve maand weinig tot niet meer bij hem verbleef. Nu betrokkene niet met onomstotelijk bewijs heeft aangetoond dat hij er voordien wel woonde is appellant terecht tot herziening van betrokkenes aanspraken overgegaan met ingang van

1 januari 2012.

3.2.

Betrokkene heeft in verweer aangevoerd dat, indien mag worden aangenomen dat de controleurs de woning daadwerkelijk hebben betreden - wat wordt ontkend - er aan de in de kamer verkregen informatie geen betekenis mag worden toegekend nu deze kamer afsluitbaar was en bestemd voor exclusief gebruik van betrokkene. Voor het betreden van deze kamer was daarom toestemming van betrokkene nodig.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van

10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts is in dit artikel bepaald dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.

4.1.3.

De vraag waar een studerende woont als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.1.4.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de gba.

4.1.5.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan appellant de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.1.

Uit de naar aanleiding van de controle opgemaakte rapportage blijkt dat de hoofdbewoner van het gba-adres waaronder betrokkene is ingeschreven heeft verklaard dat betrokkene twee dagen per week op zijn gba-adres verblijft. In een e-mailbericht van

14 februari 2014 heeft betrokkene zelf verklaard dat hij veel afwezig is en dat hij in zijn vrije tijd meestal bij zijn vriendin verblijft. In een e-mailbericht van 17 februari 2014 heeft de hoofdbewoner van het gba-adres aan betrokkene bevestigd dat hij heeft verklaard dat betrokkene maar twee à drie dagen per week op het gba-adres verbleef. Ter zitting bij de rechtbank heeft betrokkene verklaard dat hij de meeste tijd niet op zijn kamer verbleef en dat hij in ieder geval vier dagen per week bij zijn moeder, eveneens wonende in [plaatsnaam], sliep en dat zij voor hem kookte.

4.2.2.

De rechtbank heeft weliswaar terecht gewezen op de gebrekkige rapportage, maar zij heeft ten onrechte niet reeds uit de onder 4.2.1 vermelde gegevens, waarvan de juistheid ter zitting bij de Raad door betrokkene is bevestigd, afgeleid dat betrokkene ten tijde van de controle niet op zijn gba-adres woonde. Ter zitting van de Raad heeft betrokkene nog verklaard dat hij destijds nog de verantwoordelijkheid had voor zijn zusje, dat bij zijn moeder woonde en door hem werd begeleid naar en van school. De onder 4.2.1 en hiervoor weergegeven verklaringen bevestigen immers de op basis van waarnemingen getrokken conclusie van de beide controleurs dat betrokkene ten tijde van de controle zijn hoofdverblijf niet (meer) had op het adres waaronder hij stond ingeschreven. Daaraan doet niet af dat hij om hem moverende redenen ook nog gebruik maakte van een kamer op zijn gba-adres.

4.3.1.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, waarnaar ook appellant in het hoger beroepschrift heeft verwezen, volgt dat appellant in een situatie als de onderhavige waarin wordt vastgesteld dat de studerende ten tijde van de controle niet op zijn gba-adres woont, bij de herziening (gedeeltelijk) gehouden is tot toepassing van de hardheidsclausule indien die studerende het onomstotelijke bewijs levert dat hij in (een deel van) de periode voorafgaand aan de controle wel op zijn gba-adres woonde.

4.3.2.

Betrokkene is er niet in geslaagd het verlangde bewijs te leveren. Weerspreking van de door de controleurs getrokken conclusies is niet voldoende. De verklaring van de hoofdbewoner waaruit zou (kunnen) volgen dat de studerende wel op het adres heeft gewoond, is daarvoor volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146 en CRvB 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4287) evenmin voldoende. Ook met de overgelegde uitdraai van betalingen aan de hoofdbewoner heeft appellant niet het verlangde bewijs geleverd. Het overzicht bevat over een periode van bijna twee jaar slechts zeven betalingen en bovendien is bij de overschrijving van de maand april 2012 de mededeling ‘eerste maand’ vermeld, zodat, gelet op het feit dat betrokkene ten tijde van die overschrijving al geruime tijd onder het gba-adres was ingeschreven moet worden betwijfeld of deze en andere betalingen in het overzicht betrekking (kunnen) hebben op een door betrokkene gehuurde kamer. Ook als deze gegevens in samenhang worden bezien is niet het onomstotelijke bewijs van feitelijke bewoning van het gba-adres geleverd. Het hebben van een - mondelinge of schriftelijke - huuroverkomst kan weliswaar een (sterke) aanwijzing zijn dat de huurder op zijn gba-adres woont, maar, anders dan betrokkene lijkt te menen, levert het enkele bestaan van een dergelijke overeenkomst niet onomstotelijk bewijs van feitelijk wonen op het gba-adres.

4.3.3.

Appellant behoefde, gelet op 4.3.2, geen aanleiding te zien met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening over (een deel van) de periode voorafgaand aan de controle.

4.4.

Gelet op wat is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.3.3 slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren. Wat in beroep en in hoger beroep door betrokkene is aangevoerd kan, wat daar verder ook van zij, gelet op wat hiervoor is overwogen aan het oordeel van de Raad niets afdoen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.

(getekend) J. Brand

(getekend) K. de Jong

MK