Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1614

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
14-85 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel in verband met het niet verschijnen op afspraken in het kader van de arbeidsinschakeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/85 WWB

Datum uitspraak: 26 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2013, 13/1443 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigd door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluiten van 10 oktober 2011 en 3 februari 2012 heeft het college de bijstand van appellante verlaagd met 30%, onderscheidenlijk 100% voor de duur van één maand, omdat zij niet is verschenen op afspraken in het kader van haar arbeidsinschakeling. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.

1.3.

Op 12 juni 2012 is appellante medisch gekeurd en belastbaar bevonden voor (een traject naar) regulier werk voor zestien tot twintig uur per week. Bij besluit van 14 september 2012 heeft het college appellante aangemeld bij de Stichting Pantar Amsterdam (Pantar) voor een intakegesprek voorafgaand aan een Werk Test Plek (een traject). Bij brief van

27 september 2012 heeft Pantar appellante uitgenodigd voor een intakegesprek op

9 oktober 2012. Appellante heeft op 9 oktober 2012 telefonisch gemeld dat zij niet op de afspraak kan verschijnen omdat zij geen oppas heeft voor haar kinderen, waarop de afspraak is verzet naar 12 oktober 2012. Appellante is toen zonder bericht niet verschenen. Pantar heeft appellante vervolgens opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 24 oktober 2012. Appellante is vijftien minuten te laat verschenen en heeft verzocht om een nieuwe afspraak op

31 oktober 2012. Op 31 oktober 2012 heeft zij telefonisch de afspraak afgezegd. Pantar heeft appellante daarop opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 1 november 2012. Appellante is wederom zonder bericht niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

19 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante verlaagd met 100% voor de duur van twee maanden. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante diverse keren niet of te laat is verschenen op oproepen voor een intakegesprek. Door haar gedrag is plaatsing op een Werk Test Plek niet doorgegaan. Omdat de bijstand van appellante in het afgelopen jaar twee maal eerder is verlaagd vanwege het niet verschijnen op oproepen in het kader van haar arbeidsinschakeling, heeft het college op grond van de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen (Maatregelverordening) de bijstand van appellante met 100% verlaagd voor de duur van twee maanden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond dat het bestreden besluit de maatregelwaardige gedraging, de categorie-indeling en de wettelijke grondslag niet vermeldt, slaagt niet. In het bestreden besluit heeft het college een duidelijke beschrijving gegeven van de appellante verweten gedragingen. Voorts is in dat besluit opgenomen welke bepalingen van de WWB en de Maatregelverordening op dat besluit van toepassing zijn. Ter zitting heeft het college desgevraagd te kennen gegeven dat wat betreft de bepaling waarin de maatregelwaardige gedraging is vervat, abusievelijk in plaats van het tweede lid, het eerste lid van artikel 8 staat vermeld. Appellante is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante diverse malen is uitgenodigd voor een intakegesprek in het kader van een traject bij Pantar en dat zij te laat dan wel niet is verschenen. Het niet verschijnen op een oproep voor een dergelijk gesprek is op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Maatregelverordening aan te merken als een maatregelwaardige gedraging van de eerste categorie. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Maatregelverordening is het college bij de tweede recidive in beginsel gehouden de bijstand met 100% gedurende twee maanden te verlagen. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3.

Anders dan appellante in hoger beroep heeft herhaald, kan niet worden gezegd dat bij haar elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellante heeft geen objectieve en verifieerbare informatie van medische aard overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij vanwege een ongeluk en psychische problemen niet in staat was te verschijnen op het gesprek. De gedingstukken bieden geen steun voor de stelling van appellante dat zij bij Pantar een verklaring heeft ondertekend met daarin de redenen van haar afwezigheid. In de omstandigheid dat zij de zorg heeft voor minderjarige kinderen en dat de fietsafstand ook om deze reden naar de locatie van Pantar, waar zij voor het intakegesprek was uitgenodigd, voor haar bezwaarlijk is, heeft het college terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de gedraging appellante niet kan worden verweten.

4.4.

Uit de gedingstukken blijkt dat het college appellante eerder in verband met het niet verschijnen op afspraken in het kader van haar arbeidsinschakeling de in 1.2 genoemde besluiten maatregelen heeft opgelegd. Anders dan appellante heeft aangevoerd, bevinden zich de stukken over deze maatregelen wel in het dossier. Haar stelling dat zij niet bekend is met het besluit van 3 februari 2012, heeft appellante niet onderbouwd. Nu appellante zich binnen een jaar na het nemen van het besluit van 10 oktober 2011 opnieuw twee maal schuldig heeft gemaakt aan een gedraging van dezelfde categorie, heeft het college de bijstand terecht met 100% gedurende twee maanden verlaagd.

4.5.

In wat appellante heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellante aanleiding had moeten vinden van het opleggen van een maatregel af te zien dan wel de verlaging van de bijstand te matigen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD