Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2015
Datum publicatie
25-05-2015
Zaaknummer
11-4378 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid zijn er geen redenen om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend te achten voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4378 WIA

Datum uitspraak: 8 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

16 juni 2011, 11/68 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Houtsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. W.H.A. Bos, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

De Raad heeft voorafgaand aan de zitting een deskundige, neuroloog P.R. Schiphof, verzocht een rapport uit te brengen.

Beide partijen hebben op het deskundigenrapport gereageerd.

De deskundige heeft desgevraagd een nadere reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Voor appellante is mr. Bos verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als receptioniste, is op 31 maart 2008 uitgevallen wegens pijnklachten ter hoogte van de linkerarm en schouderregio.

1.2.

Naar aanleiding van haar aanvraag om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante medisch onderzocht door de verzekeringsarts van het Uwv. Daarbij zijn, naast de onder 1.1 genoemde pijnklachten, ook pijnklachten aan het linkerbeen vastgesteld. De verzekeringsarts heeft een rapport opgemaakt van zijn onderzoek en daarin vermeld dat aan de belastbaarheid van de linkerschouder, -arm en -been van appellante beperkingen worden gesteld. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 januari 2010.

1.3.

De arbeidskundige heeft een rapport opgemaakt en geconcludeerd dat appellante met inachtneming van de FML geschikt is om passende functies te verrichten hetgeen niet tot een verlies aan verdiencapaciteit leidt.

1.4.

Bij besluit van 25 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per

29 maart 2010 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat zij per 29 maart 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar gericht tegen het besluit van 25 maart 2010 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep na dossierstudie, aanwezigheid bij de hoorzitting en overleg met de neuroloog een rapport opgemaakt. Hij schrijft daarin dat bij appellante door de neuroloog de diagnose dunne vezelneuropathie is gesteld van waaruit de klachten van appellante verklaard kunnen worden. Hij acht appellante aanvullend beperkt ten aanzien van hoog arbeidstempo, risicovolle omstandigheden, koude en huidcontact alsmede ten aanzien van nacht- avond- en regelmatig overwerk. Ook heeft hij appellante beperkt geacht ten aanzien van sterk wisselende, onverwachte en onoverzichtelijke uitvoeringsmogelijkheden.

1.6.

De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de aangepaste FML van 25 november 2010 één van de geselecteerde functies vervangen en geconstateerd dat appellante, op basis van voor haar geselecteerde functies boekhouder, doktersassistente en administratief medewerkster, een zodanig inkomen moet kunnen verwerven dat haar mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd onder de 35% blijft. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 7 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen, kort weergegeven, dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. De rechtbank heeft, in aanmerking genomen alle voorhanden medische gegevens waaronder die van de behandelend sector, geen aanknopingspunten gevonden om de eindconclusie van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. Ook uit de informatie van de behandelend neuroloog Hoeijmakers kan niet worden afgeleid dat appellante meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangegeven. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden en het eindresultaat daarvan in overeenstemming zijn met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins daaraan te stellen eisen.

3. Appellante kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. Zij heeft daartegen aangevoerd dat zij zodanige beperkingen in haar psychische en met name lichamelijke belastbaarheid ondervindt dat zij nauwelijks over relevante en in loonvormende arbeid vertaalbare restcapaciteit beschikt. Zij moet daarom als volledig arbeidsongeschikt worden aangemerkt. In de FML van 25 november 2010 is appellante onvoldoende beperkt geacht in de rubrieken persoonlijk functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en werktijden. Appellante stelt dat haar klachten en beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet serieus genomen worden. Appellante vermoedt dat de onderschatting van haar beperkingen veroorzaakt wordt door het feit dat dunne vezelneuropathie een vrij onbekende aandoening is. Appellante acht zich verder niet in staat tot het verrichten van de geduide functies omdat typen voor haar zeer belastend is, evenals continu gebruik van haar linkerhand. Ook haar concentratie- en geheugenproblemen maken haar ongeschikt voor deze functies.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de omvang van de beperkingen als gevolg van de bij appellante vastgestelde diagnose dunne vezelneuropathie. De Raad heeft aanleiding gezien om zich te laten adviseren door een onafhankelijk deskundige. De neuroloog P.R. Schiphof heeft op verzoek van de Raad een onderzoek ingesteld en gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellante en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten.

4.2.

Schiphof concludeert in zijn rapport van 4 april 2014 onder meer dat zich bij appellante een atypisch beeld heeft ontwikkeld met een veelheid van klachten van zowel lichamelijke als mentale aard, met een asymmetrische verdeling over het lichaam. Een aandoening als dunne vezelneuropathie kan in ernstige vorm een zeer groot aantal klachten en objectiveerbare symptomen geven. Bij appellante ontbreken objectiveerbare stoornissen met uitzondering van een gestoorde warmte-koude-test en de bevindingen van de huidbiopsie. Slechts een beperkt deel van de klachten van appellante kan rechtstreeks worden toegeschreven aan de neuropathie. De cognitieve stoornissen kunnen daar in ieder geval niet aan worden toegeschreven. Schiphof kan zich verenigen met de in de FML van 25 november 2010 vastgestelde beperkingen. Vanuit zijn vakgebied ziet Schiphof geen bezwaren tegen de geselecteerde functies.

4.3.

Naar aanleiding van de opmerkingen van appellante en haar gemachtigde heeft Schiphof zijn rapport nader toegelicht in een brief van 26 juli 2014.

4.4.

Het Uwv heeft bericht dat het uitgebrachte deskundigenrapport geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

4.5.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen.

4.6.

De medische grondslag van het bestreden besluit moet dan ook worden onderschreven.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid zijn er geen redenen om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend te achten voor appellant.

4.8.

Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7. is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en G. van Zeben - de Vries en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) S. Aaliouli

MK