Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
14-3165 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo. Appellant heeft geen gegevens overgelegd die aanleiding geven het eerder besluit te herzien. Daarbij is overwogen dat (ook nu) geen bevestiging is verkregen van internering in Salatiga tijdens de Japanse bezetting, dan wel tijdens de Besiap-periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3165 WUBO

Datum uitspraak: 21 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2014, kenmerk BZ01718370 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Voor appellant is

mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is geboren in 1937 in het toenmalig Nederlands-Indië. In november 2005 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Die aanvraag is door de toenmalige Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen bij besluit van 16 mei 2006. Dit op de grond dat van een internering in Salatiga tijdens de Japanse bezetting en/of de Bersiap-periode, buiten de eigen verklaring van appellant, geen bevestiging is verkregen. Tegen het besluit van 16 mei 2006 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

In augustus 2013 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant een verklaring overgelegd van E.S.M. [naam 1]-[naam 2].

1.3.

De aanvraag is afgewezen bij besluit van 14 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Naar het oordeel van verweerder heeft appellant geen gegevens overgelegd die aanleiding geven het eerder besluit te herzien. Daarbij is overwogen dat (ook nu) geen bevestiging is verkregen van internering in Salatiga tijdens de Japanse bezetting, dan wel tijdens de Besiap-periode.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die een zodanig nieuw licht op de zaak werpen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2.

Zulke feiten en omstandigheden zijn niet naar voren gekomen. Ook met de ingebrachte verklaring van mevrouw [naam 1] is geen bevestiging verkregen dat appellant geïnterneerd is geweest. De door mevrouw [naam 1] gegeven beschrijving van het desbetreffende kamp komt niet overeen met hetgeen historisch bekend is over het burgerinterneringskamp in Salatiga. Uit die gegevens komt namelijk naar voren dat het kamp werd bevolkt door mannen en dan met name paters en broeders. Verder vermeldt [naam 3], net als appellant in het sociaal van rapport van zijn eerste aanvraag, dat de moeders op een zeker moment de kinderen terughaalden. De mogelijkheid dat de kinderen konden worden opgehaald wijst ook niet in de richting van een interneringssituatie. Verweerder heeft nog het dossier geraadpleegd van mevrouw [naam 4] maar dat heeft niet geleid tot relevante gegevens.

2.3.

Gelet op wat onder 2.2 is overwogen kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.

(getekend) R. Kooper

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD