Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
11-05-2015
Zaaknummer
14-869 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van verjaring. In ogenschouw genomen wat de erven hebben aangevoerd, gaat de Raad ervan uit dat betrokkene eerst door kennisneming van de inhoud van de ... brief van de Staatssecretaris van Defensie van 30 maart 2006 bekend is geworden met de omstandigheid dat de schade (mede) is veroorzaakt door een tekortschietend of foutief handelen van appellant (de Minister van Defensie). Tot dat moment was er voor betrokkene geen voldoende zekerheid in de zin van het onder 3.5 genoemde arrest (ECLI:NL:HR:2003:AL8168), dat zijn klachten wellicht (mede) zijn veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door appellant.

3.8.Uit wat onder 3.1 tot en met 3.7 is overwogen volgt dat de korte verjaringstermijn in ieder geval niet is aangevangen vóór 30 maart 2006. Dit betekent dat de verjaringstermijn op

12 december 2006 niet was verstreken. Appellant heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijke vordering is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/869 MAW

Datum uitspraak: 7 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 januari 2014, 13/6471 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[erven], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats] (erven)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de erven heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen. De erven hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Meijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

[betrokkene] (betrokkene) was van 7 januari 1992 tot 7 juli 1997 aangesteld als militair beroeps bepaalde tijd. Hij heeft van 27 januari 1994 tot 26 juli 1994 deelgenomen aan een militaire vredesmissie in voormalig Joegoslavië (Bosnië).

1.2.

Op 8 juli 2005 heeft betrokkene naar aanleiding van een persoonlijke crisis een gesprek gehad met een maatschappelijk werker van GGNet. Omdat mogelijk sprake was van een posttraumatisch stress syndroom (PTSS) is betrokkene aangemeld bij de afdeling psychiatrie van het Centraal Militair Hospitaal (CMH). Op 14 juli 2005 heeft betrokkene een aanvraag gedaan om een militair invaliditeitspensioen. Naar aanleiding van deze aanvraag is onderzoek verricht waarvan in een Rapport Sociaal Medisch Onderzoek van 24 november 2005 verslag is gedaan. In dit kader is psychiater J.M.V. Mulder verzocht een onderzoek in te stellen. In zijn rapport van 10 oktober 2005 komt de psychiater op basis van zijn onderzoek tot de conclusie dat bij betrokkene sprake is van een ernstige en chronische PTSS en dat een causaal verband bestaat tussen de psychische problematiek van betrokkene en het uitoefenen van de militaire dienst.

1.3.

Bij brief van 12 december 2006 heeft betrokkene appellant verweten dat hem onvoldoende zorg en begeleiding is geboden voorafgaand aan, tijdens en na de uitzending en appellant aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de door hem opgelopen PTSS.

1.4.

Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft appellant dit verzoek afgewezen op de grond dat de (mogelijke) vordering van betrokkene is verjaard. Tegen dat besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt.

1.5.

Betrokkene is op 22 juni 2008 overleden. De erven hebben de procedure voortgezet.

1.6.

Bij besluit van 5 juli 2013 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen binnen zes weken na de verzending van de uitspraak alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op de brief van 12 december 2006. De rechtbank heeft geoordeeld dat de (mogelijke) vordering van betrokkene niet is verjaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de (mogelijke) vordering tot schadevergoeding ten tijde van de aansprakelijkstelling op 12 december 2006 was verjaard. Voor het antwoord op die vraag is van belang op welk moment de verjaring is aangevangen.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Zowel bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift als in geval van een aansprakelijkstelling voor geleden schade legt de Raad de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen.

3.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1129 en ECLI:NL:CRVB:2015:1139, bestaat aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit een oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad.

3.4.

Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden. Dit is de zogenaamde korte verjaringstermijn.

3.5.

Zoals de Hoge Raad eerder heeft overwogen in zijn arrest van 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, staat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid, van het BW niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon moet aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. De korte verjaringstermijn van vijf jaar begint, gelet op de strekking van deze bepaling, pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. Deze verjaringstermijn vangt aan zodra de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen.

3.6.

De erven hebben zich op het standpunt gesteld dat betrokkene pas in de loop van 2006 voldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door een aan appellant toe te schrijven fout. Zij verwijzen ter onderbouwing daarvan naar een brief van

30 maart 2006 van de Staatssecretaris van Defensie aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, waarin het beleid ten aanzien van de nazorg van militairen uiteen wordt gezet. Pas door kennisneming van die brief is betrokkene bekend geworden met de mogelijk niet adequate nazorg door appellant.

3.7.

In ogenschouw genomen wat de erven hebben aangevoerd, gaat de Raad ervan uit dat betrokkene eerst door kennisneming van de inhoud van de onder 3.6 genoemde brief van de Staatssecretaris van Defensie van 30 maart 2006 bekend is geworden met de omstandigheid dat de schade (mede) is veroorzaakt door een tekortschietend of foutief handelen van appellant. Tot dat moment was er voor betrokkene geen voldoende zekerheid in de zin van het onder 3.5 genoemde arrest, dat zijn klachten wellicht (mede) zijn veroorzaakt door een mogelijke schending van de zorgplicht door appellant.

3.8.

Uit wat onder 3.1 tot en met 3.7 is overwogen volgt dat de korte verjaringstermijn in ieder geval niet is aangevangen vóór 30 maart 2006. Dit betekent dat de verjaringstermijn op

12 december 2006 niet was verstreken. Appellant heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijke vordering is verjaard. Het hoger beroep slaagt niet.

3.9.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De overige beroepsgronden kunnen buiten bespreking blijven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nader onderzoek moet instellen naar de aansprakelijkheid en hierover een beslissing op bezwaar moet nemen. Met het oog op een voortvarende afwikkeling acht de Raad het geraden om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van de erven. Deze worden begroot op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat beroep tegen de ter uitvoering van de aangevallen uitspraak te nemen nieuwe

beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van de erven tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) B. Rikhof

HD