Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2015
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
13-1013 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Appellant is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake was van een toename van beperkingen die hadden moeten leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 15%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1013 WAO

Datum uitspraak: 15 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 januari 2013, 12/801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2015.

Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 7 december 2002 uitgevallen voor zijn werk als slager en als taxichauffeur door letsel aan zijn linker heup. Bij einde wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2004 geweigerd appellant met ingang van 6 december 2003 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat appellant vanaf die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Appellant heeft zich op 12 maart 2009 tot het Uwv gewend met de mededeling dat zijn gezondheid per 8 juni 2006 is verslechterd. Bij besluit van 4 juni 2009 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 4 juli 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO, onder de overweging dat appellant, ondanks een toename van zijn beperkingen, minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

In november 2011 heeft appellant zich opnieuw tot het Uwv gewend met de mededeling dat zijn gezondheid is verslechterd.

1.4.

Bij besluit van 19 januari 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant

met ingang van 29 augustus 2009 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij beslissing van 9 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de melding van appellant op 4 november 2011 heeft een verzekeringsarts hem op 12 januari 2012 onderzocht. Deze heeft in zijn rapport van

19 januari 2012 geconcludeerd dat er met ingang van 1 augustus 2009 sprake is van toegenomen beperkingen voor linker heup- en voetbelastende arbeid. Hierbij heeft deze arts gekozen voor een datum gelegen drie maanden na de verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 27 april 2009, welke beoordeling (mede) ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van

4 juni 2009. De rechtbank heeft in de overgelegde stukken en in hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat getwijfeld dient te worden aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts. Het Uwv heeft zich dan ook naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant weliswaar met ingang van 1 augustus 2009 toegenomen arbeidsongeschikt is te achten, maar dat die datum niet ligt binnen vijf jaar na de datum per wanneer appellant na het einde van de wachttijd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgrond herhaald en aangevoerd dat de rechtbank deze gronden grotendeels onbesproken heeft gelaten. Appellant heeft in hoger beroep een rapport van revalidatiearts J.B. Posthumus van het Universitair Medisch Centrum Groningen van 16 april 2014 ingediend, waaruit volgens hem blijkt dat zijn beperkingen in 2009 waren toegenomen. De verzekeringsarts heeft nagelaten om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen met de data in geding van 1 augustus 2009 en van

12 januari 2012, zodat vergelijking met een eerdere FML (in het bijzonder april 2009) onmogelijk is. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat zijn bezwaarschrift van

2 januari 2012 ook een verzoek om terug te komen van het besluit van 4 juni 2009 bevat.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar punt 2.1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Aan de orde is de vraag of appellant binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van de wachttijd op 5 december 2003 toegenomen arbeidsongeschikt is geworden als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Nu vaststaat dat appellant op 4 juli 2006 minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht (zie 1.2), resteert de vraag of appellant in de periode tussen

4 juli 2006 en 6 december 2008 toegenomen arbeidsongeschikt is geworden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven.

4.4.

Ook in hoger beroep is appellant er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er in de periode tussen 4 juli 2006 en 6 december 2008 sprake was van een toename van beperkingen die hadden moeten leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 15%. Uit het rapport van revalidatiearts Posthumus volgt slechts dat er sinds 2008 geen sprake is van een verandering in de gezondheidstoestand van appellant en dat dit in zekere zin geruststellend is. De medische situatie van appellant in 2008 heeft blijkens het medisch onderzoeksverslag van 28 april 2009 destijds niet geleid tot een toename van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 4 juli 2006. Appellant heeft nog aangekondigd een medisch adviseur te zullen raadplegen, maar een nadere toelichting bij het rapport van revalidatiearts Posthumus is uitgebleven.

4.5.

Gelet op het voorgaande heeft appellant geen belang bij het opstellen van een FML met een datum in geding van na 6 december 2008, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

4.6.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken is op geen enkele wijze af te leiden, dat er sprake was van een verzoek van appellant om terug te komen van eerdere besluiten en in het bijzonder van het besluit van 4 juni 2009. Het Uwv heeft de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid dan ook niet hoeven begrijpen als een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter, in tegenwoordigheid van

V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2015.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) V. van Rij

MK