Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2015
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
13-6084 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing kwijtschelding. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6084 WWB

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 oktober 2013, 11/1964 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Voor appellant is verschenen mr. A.M.H.E.G. Lemmens, kantoorgenoot van mr. Bovenkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.C. Schouten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 19 juli 2000 heeft het college appellant met ingang van 25 mei 2000 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet toegekend. In verband met een verkregen schadevergoeding van zijn voormalige werkgever, [werkgever] te [vestigingsplaats] ([werkgever]), heeft het college bij besluit van 24 november 2005 tot een bedrag van

€ 2.893,57 aan ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Dit besluit is door de uitspraak van de Raad van 12 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI4620) in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Bij brief van 24 januari 2011 heeft appellant het college verzocht om kwijtschelding van de gehele uit het besluit van 24 november 2005 voortvloeiende vordering (vordering).

1.3.

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft het college het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 11 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet voldoet aan de in het beleid inzake terug- en invordering neergelegde voorwaarde dat de betrokkene gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Voorts is geen sprake van een dringende reden om tot kwijtschelding over te gaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Voorts heeft appellant om toekenning van schadevergoeding verzocht in de vorm van wettelijke rente over het ten onrechte niet aan hem kwijtgescholden bedrag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding is uitsluitend in geschil de vraag of sprake is van dringende redenen om over te gaan tot kwijtschelding van de vordering.

4.2.

Zoals het college ter zitting van de Raad heeft toegelicht, volgt het college, in aanvulling op zijn beleid inzake terug- en invordering, de vaste gedragslijn dat tot kwijtschelding wordt overgegaan indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Bij een beroep op dringende redenen als bedoeld in deze gedragslijn moet volgens het college worden gedacht aan onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de invordering voor de betrokkene.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van psychische klachten (burn-out) als een gevolg van de afloop van zijn arbeidsovereenkomst met [werkgever], waaraan hij door de maandelijkse aflossingen steeds weer werd herinnerd. Daarnaast heeft appellant (nogmaals) zijn onvrede geuit over de afloop van zijn arbeidsovereenkomst met [werkgever] en/of het handelen van het college in het kader van zijn begeleiding naar werk.

4.4.

In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen als bedoeld in 4.2. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de invordering voor hem heeft geleid tot onaanvaardbare gevolgen. Uit de door appellant overgelegde verklaringen van huisarts

W.M. van Nijnatten van 17 december 2013 en 17 november 2014 zou mogelijk kunnen worden afgeleid dat de psychische klachten van appellant zijn te herleiden tot de afloop van zijn arbeidsovereenkomst met [werkgever] en de besluitvorming van het college inzake de terugvordering in 2005, maar hieruit blijkt in ieder geval niet dat deze klachten sindsdien, als een gevolg van de onderhavige besluitvorming, zijn toegenomen. De overige bezwaren die appellant heeft aangevoerd zijn door de Raad in zijn in 1.1 genoemde uitspraak al beoordeeld in het kader van de terugvordering en deze zijn dus niet het gevolg van de invordering.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het college heeft gehandeld in overeenstemming met de door hem gevolgde gedragslijn. Dit betekent dat het college het verzoek van appellant om kwijtschelding van de vordering terecht heeft afgewezen.

4.6.

Uit 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Gelet op de uitkomst van dit geding bestaat geen ruimte voor een veroordeling van het college tot schadevergoeding. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) R.G. van den Berg

HD