Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2015
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
14-649 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering reiskostenvergoeding. Ploegendienst en reservedienst. Geen deugdelijke motivering. De minister heeft verklaard dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat appellant in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling incidentele reizen voor de militair en zijn naaste betrekking, indien hij wordt opgeroepen voor een dienst terwijl hij volgens het basisrooster in het geheel niet was ingeroosterd en hij als gevolg daarvan naar de plaats van tewerkstelling is gereisd. Artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling stelt wel de voorwaarde dat de militair onvermijdelijke werkzaamheden of diensten moet verrichten die van te voren bekend waren, maar niet de voorwaarde dat het voor de betrokken militair geldende rooster wordt gewijzigd binnen 28 dagen voorafgaand aan de dienst die hij moet vervullen. De vraag of een reservedienst kan worden aangemerkt als werk- of rusttijd is met name van belang voor de toepassing van de regeling van de werk- en rusttijden in Hoofdstuk 7 van het Algemeen militair ambtenarenreglement, maar niet voor de beantwoording van de vraag of het voor de militair geldende rooster is geëindigd of aangevangen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling. Appellant heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, onderbouwd met een lijst van gelijke gevallen. De minister heeft naar aanleiding daarvan ten onrechte geen onderzoek verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/205
TAR 2015/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/649 MAW

Datum uitspraak: 30 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 december 2013, 12/549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Borst hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Borst. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.A.D. Berkhuizen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is aangesteld in de functie van [naam functie] bij het [naam centrum] te [plaatsnaam]. Appellant is van rijkswege gehuisvest op de kazerne in [plaatsnaam] en woont in [woonplaats].

1.2.

Appellant is in ploegendienst werkzaam. Ten tijde hier van belang gold voor appellant een basisrooster dat in mei 2009 is vastgesteld. Het basisrooster voorziet in dag-, avond- en nachtdiensten. Daarnaast kent het basisrooster reservediensten. Degene die voor een reservedienst is ingeroosterd, kan worden opgeroepen om een dag-, avond- of nachtdienst te vervullen in geval van calamiteiten of om een collega te vervangen die voor een dag-, avond- of nachtdienst is ingeroosterd, maar vanwege ziekte, verlof of een andere reden afwezig is. Degene die voor een reservedienst is ingeroosterd, is niet verplicht die dienst op de kazerne aanwezig te zijn, tenzij hij wordt opgeroepen. Het basisrooster kan wijzigingen ondergaan.

1.3.

Appellant ontvangt op grond van artikel 20, aanhef en onder a, van het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) een tegemoetkoming in de kosten van het niet dagelijks reizen over de afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling van vier maal per periode van vier weken.

1.4.

Appellant heeft op 9 februari 2010 een aanvraag gedaan om een tegemoetkoming in de reiskosten op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling incidentele reizen voor de militair en zijn naaste betrekking (Regeling). Bij besluit van 29 juni 2010 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant, nu hij aanspraak maakt op een tegemoetkoming op grond van het VKBM, niet ook nog eens aanspraak kan hebben op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling. Bij besluit van 13 januari 2011 heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2010 gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Naar het oordeel van de minister was een verkeerde uitleg gegeven aan artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling. Aangezien vrijwel iedere militair op basis van het VKBM reiskosten krijgt vergoed, zou die uitleg het bestaan van de genoemde bepaling van de Regeling overbodig maken.

1.5.

Op 29 april 2011 heeft appellant, onder verwijzing naar het besluit van 13 januari 2011, op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling een aanvraag gedaan om een tegemoetkoming in de reiskosten van 23 reizen in de periode vanaf augustus 2009 tot en met april 2011. Bij besluit van 16 juni 2011 is aan appellant voor de diensten die hij heeft verricht op 26 oktober 2009 en 14 december 2009 een tegemoetkoming in de reiskosten toegekend en is de aanvraag voor het overige afgewezen.

1.6.

Bij besluit van 13 december 2011 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2011 ongegrond verklaard. De minister heeft onder verwijzing naar het besluit van 13 januari 2011 vooropgesteld dat de aanvraag niet kan worden afgewezen op de grond dat appellant, nu hij aanspraak maakt op een tegemoetkoming voor reiskosten op grond van het VKBM, niet ook nog eens aanspraak op een tegemoetkoming voor reiskosten kan hebben op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling. Volgens de minister kan appellant slechts in twee situaties op grond van laatstgenoemde bepaling in aanmerking komen voor een vergoeding voor reizen van zijn woning naar de plaats van tewerkstelling. De eerste situatie is dat appellant wordt opgeroepen voor een dienst terwijl hij volgens het basisrooster in het geheel niet was ingeroosterd en hij als gevolg daarvan naar de plaats van tewerkstelling is gereisd. De tweede situatie is dat appellant door een wijziging van het basisrooster die zich voordoet binnen 28 dagen voorafgaand aan de dienst die hij moet vervullen, een dag-, avond- of nachtdienst moet vervullen en hij in de negentien uren die onmiddellijk voorafgaan aan of volgen op deze extra dienst niet voor een dag-, avond-, nacht- of reservedienst is ingeroosterd. De minister heeft voorts het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover in een periode van zeven weken van het basisrooster meer dan zeven reizen van en naar de plaats van tewerkstelling zijn gemaakt, die reizen kunnen worden vergoed op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling. Appellant stelt dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan indien de militair een dag-, avond- of nachtdienst moet vervullen en hij in de negentien uren die onmiddellijk voorafgaan aan of volgen op deze dienst niet voor een dag-, avond- of nachtdienst is ingeroosterd. De inroostering voor een reservedienst in de genoemde tijdvakken van negentien uur staat volgens appellant niet aan vergoeding van reiskosten op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling in de weg. Appellant heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling is bepaald dat de militair voor de reizen die geheel binnen Nederland verlopen aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de reiskosten indien hij geen aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de reiskosten ingevolge het VKBM en hij in de regel van rijkswege is gehuisvest en onvermijdelijke werkzaamheden of diensten moet verrichten die van te voren bekend waren, mits tussen het tijdstip waarop het voor hem geldende rooster eindigt en het tijdstip van aanvang van de werkzaamheden of diensten alsmede tussen het tijdstip van einde van die werkzaamheden of diensten en het tijdstip van aanvang van het voor de militair geldende rooster een tijdsbestek van ten minste 19 uren is gelegen.

4.2.

De Raad kan en zal onbesproken laten het standpunt van de minister dat de aanvraag niet kan worden afgewezen op de grond dat appellant, nu hij aanspraak maakt op een tegemoetkoming voor reiskosten op grond van de VKBM, niet ook nog eens aanspraak op een tegemoetkoming voor reiskosten kan hebben op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling. Appellant heeft dit standpunt immers niet bestreden.

4.3.

Ter zitting van de Raad heeft de minister verklaard dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat appellant in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling indien hij wordt opgeroepen voor een dienst terwijl hij volgens het basisrooster in het geheel niet was ingeroosterd en hij als gevolg daarvan naar de plaats van tewerkstelling is gereisd. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

4.4.

Uit wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt de Raad af dat hij het standpunt van de minister bestrijdt dat hij pas voor een tegemoetkoming op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling in aanmerking kan komen als het basisrooster wordt gewijzigd binnen 28 dagen voorafgaand aan de dienst die hij moet vervullen. Deze beroepsgrond slaagt. Artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling stelt wel de voorwaarde dat de militair onvermijdelijke werkzaamheden of diensten moet verrichten die van te voren bekend waren, maar niet de voorwaarde dat het voor de betrokken militair geldende rooster wordt gewijzigd binnen 28 dagen voorafgaand aan de dienst die hij moet vervullen. Het bestreden besluit berust dan ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

4.5.

Artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling stelt als voorwaarde voor de aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten dat een tijdsbestek van ten minste 19 uren is gelegen tussen het tijdstip waarop het voor de militair geldende rooster eindigt en het tijdstip van aanvang van de werkzaamheden of diensten alsmede tussen het tijdstip van einde van die werkzaamheden of diensten en het tijdstip van aanvang van het voor de militair geldende rooster een tijdsbestek van ten minste 19 uren is gelegen. Partijen verschillen van mening of in het geval van appellant aan deze voorwaarde is voldaan. Met de minister en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat een reservedienst behoort tot het voor appellant geldende rooster. Dit betekent dat het voor appellant geldende rooster niet eindigt indien hij nog is ingeroosterd voor een reservedienst en aanvangt (ook) indien hij weer is ingeroosterd voor een reservedienst. De stelling van appellant, wat daar ook van zij, dat een reservedienst als rust moet worden beschouwd, maakt dat niet anders. De vraag of een reservedienst kan worden aangemerkt als werk- of rusttijd is met name van belang voor de toepassing van de regeling van de werk- en rusttijden in Hoofdstuk 7 van het Algemeen militair ambtenarenreglement, maar niet voor de beantwoording van de vraag of het voor de militair geldende rooster is geëindigd of aangevangen als bedoeld in artikel 3, aanhef en

onder e, ten derde, van de Regeling. In zoverre treft het hoger beroep van appellant dan ook geen doel.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft aan het college een lijst overgelegd met namen van personen, hun functie en het onderdeel van de krijgsmacht waar zij werkzaam zijn. Appellant stelt dat deze personen volgens een ploegenrooster werkzaam zijn en dat aan hen ruimhartiger dan bij hem het geval is op basis van artikel 3 van de Regeling tegemoetkomingen in de reiskosten zijn verstrekt. Anders dan de minister ter zitting heeft gesteld, zijn de beweringen van appellant voldoende specifiek onderbouwd en bevatten zij voldoende concrete gegevens. Op grond daarvan was de minister gehouden onderzoek te doen naar de juistheid ervan. De minister heeft een dergelijk onderzoek niet verricht. De minister heeft ter zitting desgevraagd erkend dat hij niet heeft onderzocht of de door appellant genoemde personen zich in een vergelijkbare situatie als appellant bevinden, of zij desondanks anders dan appellant zijn behandeld en, zo ja, of voor dit verschil in behandeling een rechtvaardiging bestaat. De minister heeft voorts gesteld dat, als in de door appellant genoemde gevallen artikel 3 van de Regeling ruimhartiger zou zijn toegepast, dit het gevolg is van een fout die niet behoeft te worden nagevolgd. Deze stelling heeft de minister echter op geen enkele wijze onderbouwd. Voor zover de minister heeft betoogd dat geen onderzoek behoeft te worden ingesteld omdat de door appellant genoemde personen niet bij DOC, maar elders voor defensie werkzaam zijn, wordt hij daarin niet gevolgd. De Regeling geldt immers voor de gehele krijgsmacht en wordt uitgevoerd door of namens een en hetzelfde bestuursorgaan, de minister. Vergelijkbare gevallen, zich voordoende in verschillende krijgsmachtsonderdelen, zijn dan ook niet gevrijwaard van onderlinge toetsing aan het gelijkheidsbeginsel. Zo kunnen verschillen in de uitoefening van de bevoegdheden strijd met het gelijkheidsbeginsel opleveren, tenzij die verschillen berusten op de voor de toepasselijke regeling relevante, geobjectiveerde en functionele verschillen tussen de krijgsmachtsonderdelen. De Raad verwijst naar zijn, ook door appellant genoemde, uitspraak van 21 maart 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6078.

4.7.

Op grond van wat onder 4.4 en 4.6 is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met gegrondverklaring van het beroep, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, omdat dit besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De Raad zal de minister opdragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met het oog op de voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar uitsluitend bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 december 2011 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- bepaalt dat de minister een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze

uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 391,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €1.960,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD