Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2015
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
13-3583 WTCG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat B zijn hoofdverblijf niet had op het haar adres. Gezamenlijke huishouding. Gezamenlijk inkomen ruimschoots boven het geldende toetsinkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3583 WTCG

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 mei 2013, 13/377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van den Os, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Os. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 2 oktober 2012 een aanvraag op grond van de regeling Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) ingediend.

1.2.

Appellante staat volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) tot 15 juni 2011 ingeschreven op het adres [Adres A.] te [woonplaats] en vanaf 15 juni 2011 op het adres [Adres A.] te [woonplaats]. [naam ex-partner B] (B), haar ex-partner, staat volgens de GBA vanaf 14 juni 2011 ook op dit adres ingeschreven.

1.3.

Bij besluit van 15 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 januari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante en B een gezamenlijke huishouding voeren en dat het gezamenlijk inkomen van appellante en B van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 hoger is dan het geldende toetsinkomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij geen gezamenlijke huishouding met B heeft gevoerd van wie zij in 2004 is gescheiden. B is hertrouwd, heeft het adres gebruikt als postadres en heeft daar feitelijk nooit gewoond. Appellante heeft al jaren geen contact met hem. Ter ondersteuning is een verklaring van B overgelegd, waarin hij verklaard het adres met toestemming van de hoofdbewoner gebruikt te hebben als postadres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.2.

Vaststaat dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand van toepassing is.

4.3.

Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat B ten tijde in geding zijn hoofdverblijf niet had op het adres [Adres A.] te [woonplaats]. De enkele door haar overgelegde verklaring van B dat hij het adres aan de [Adres A.] met goedkeuring van de hoofdbewoner heeft gebruikt als postadres is daartoe onvoldoende. Door appellante is geen aannemelijke verklaring gegeven waarom B het adres niet als postadres heeft laten registreren. Evenmin is duidelijk geworden waarom B zich niet na de scheiding van het adres [Adres A.] te [woonplaats] heeft uitgeschreven. Dat B inmiddels is hertrouwd is niet van belang. Onder de gegeven omstandigheden mocht het college er van uitgaan dat appellante met B een gezamenlijke huishouding voerde. Nu niet wordt betwist dat het inkomen van appellante tezamen met het inkomen van B ruimschoots boven het geldende toetsinkomen ligt, heeft het college de aanvraag terecht afgewezen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

20 januari 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD