Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2015
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
13-5362 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding? Meerdere periodes. Ontoereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5362 WWB, 13/5363 WWB

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 november 2012, 12/794 en 12/795 (aangevallen tussenuitspraak), en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 september 2013, 12/794 en 12/795 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D.H. Sloof, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Sloof. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving van 19 oktober 2000 tot en met 30 september 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat samen met haar twee kinderen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Almere (GBA, thans de Basisregistratie Personen) sinds

15 april 2006 ingeschreven op het [adres van appellante] te [woonplaats] (adres van appellante).

1.2.

Appellant ontving van 21 april 2009 tot en met 31 juli 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat in de GBA sinds 24 oktober 2008 ingeschreven op het [adres van appellant] te [woonplaats] (adres van appellant).

1.3.

Naar aanleiding van vier anonieme meldingen dat appellante werkzaamheden verricht en een man heeft, heeft het team Handhaving van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Almere (team Handhaving) in januari 2009 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Het team Handhaving heeft in dit kader dossieronderzoek en administratief onderzoek verricht, informatie opgevraagd bij diverse instanties, waarnemingen verricht, waaronder vier in maart 2009 in de omgeving van het adres van appellante, en op 6 maart 2009 een huisbezoek afgelegd aan dat adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 maart 2009. Het team Handhaving heeft vervolgens de zaak voor nader onderzoek overgedragen aan het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche). De sociale recherche heeft in het kader van dit nader onderzoek in april 2010 waarnemingen gedaan bij de adressen van appellanten en in mei 2010 tot en met juli 2010 stelselmatige observaties bij deze adressen verricht. Voorts heeft de sociale recherche buurtbewoners uit de omgeving van de adressen van appellanten als getuigen gehoord, een tijdelijk bewoner van het adres van appellant als getuige gehoord en appellanten als verdachten verhoord. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 26 oktober 2010 en in een aanvullend rapport van 2 mei 2011.

1.4.

Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij afzonderlijke besluiten van 16 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijke besluiten van 12 maart 2012 (bestreden besluiten 1 en 2):

- de bijstand van appellante ingetrokken over de periodes van 16 juli 2007 tot en met

20 april 2009 en van 1 augustus 2010 tot en met 30 september 2010;

- de bijstand van appellanten over de periode van 21 april 2009 tot en met 31 juli 2010 herzien naar de norm voor gehuwden;

- de kosten van de over de periode van 16 juli 2007 tot en met 30 september 2010 verleende bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 50.318,61.

Het college heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan melding te hebben gemaakt bij het college, een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen en beslist. De gedingstukken bieden een toereikende grondslag voor het standpunt dat appellanten een gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad. De periode waarin sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf dient echter te worden beperkt tot de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 september 2010. Aangezien eveneens is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg, is het college er terecht vanuit gegaan dat appellanten in die periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd en dus niet als zelfstandige subjecten recht op bijstand hadden. Wat de terugvordering betreft, wordt in de besluiten van 16 mei 2011 enkel een totaalbedrag van € 50.318,61 genoemd dat wordt teruggevorderd. Een nadere uitleg met betrekking tot de componenten waaruit dit bedrag bestaat ontbreekt. Bovendien wordt als grondslag voor de terugvordering enkel artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB genoemd. Aan de besluitvorming kleeft dan ook een evident motiveringsgebrek. Het college wordt in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

2.2.

Bij besluit van 1 februari 2013 (bestreden besluit 3) heeft het college van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt door de bestreden besluiten 1 en 2 als volgt te herzien. De intrekking van de bijstand van appellanten wordt beperkt tot de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 september 2010 en de terugvordering over de periode van 16 juli 2007 tot 1 mei 2008 vervalt. Het terug te vorderen bedrag wordt verlaagd tot een bedrag van in totaal € 39.026,16. De terugvordering is als volgt berekend, waarbij het college een vijftal periodes onderscheidt.

- De door appellante over de periode van 1 mei 2008 tot en met 31 december 2008 (periode 1) ontvangen bijstand wordt teruggevorderd van appellante en mede teruggevorderd van appellant tot een bedrag van € 10.622,59.

- De door appellante over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 (periode 2) ontvangen bijstand wordt teruggevorderd van appellante en mede teruggevorderd van appellant tot een bedrag van € 4.367,81.

- De door appellanten over de periode van 1 april 2009 tot en met 31 december 2009

(periode 3) ontvangen bijstand wordt van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van

€ 11.158,05.

- De door appellanten over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2010 (periode 4) ontvangen bijstand wordt van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van

€ 11.429,58.

- De door appellante over de periode van 1 september 2010 tot en met 30 september 2010 (periode 5) ontvangen bijstand wordt teruggevorderd van appellante en mede teruggevorderd van appellant tot een bedrag van € 1.448,13.

2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden

besluit 3 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de herziening en terugvordering over periodes 3 en 4 en de besluiten van 16 mei 2011 in zoverre herroepen. De rechtbank heeft hiertoe - samengevat - het volgende overwogen. Het college heeft in voldoende mate inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de vorderingen over periodes 1, 2 en 5 is gekomen, zodat de terugvordering over deze periodes tot een bedrag van in totaal

€ 16.438,53 op de juiste wijze is vastgesteld en op de juiste grondslag is teruggevorderd. Het college heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de totale vordering over periodes 3 en 4 is opgebouwd. Gelet daarop heeft het college het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek voor die periodes niet hersteld.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak en aangevallen einduitspraak gekeerd voor zover deze betrekking hebben op periodes 1 en 2. Zij hebben, kort weergegeven, aangevoerd dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat zij in die periodes een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.4.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan, indien aannemelijk is dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat de betrokkenen slechts een van beide ter beschikking staande woningen gebruiken.

4.6.

Met appellanten en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellanten in periodes 1 en 2 een gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van appellante.

4.6.1.

Uit de verklaringen die appellanten tegenover de sociale recherche hebben afgelegd, komt weliswaar naar voren dat appellant vaak bij appellante over de vloer kwam en ook af en toe in haar woning bleef slapen, maar daaruit blijkt niet dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante.

4.6.2.

Dit laatste kan evenmin worden geconcludeerd uit de verklaringen van de (drie) als getuigen gehoorde buurtbewoners uit de directe omgeving van het adres van appellante. Zo verklaart de bewoonster van [adres 1] dat zij de man op de getoonde foto herkent als [A.], dat zij weet dat deze man in het begin niet bij appellante sliep en dat zij niet kan aangeven hoe vaak hij bij haar is en daar slaapt. De bewoner van [adres 2] verklaart dat op nummer 8 - het adres van appellante - een vrouw van Turks-Marokkaanse afkomst met twee kinderen woonachtig is, dat hij niet zou weten of er andere personen wonen en dat hij de man van de aan hem getoonde foto herkent als de man die wel eens op nummer 8 op visite komt. De bewoner van [adres 3] verklaart dat hij weet dat op nummer 8 een Marokkaanse vrouw met twee kinderen woont, dat hij de man op de getoonde foto herkent als de vriend van de vrouw, dat de [auto] waarin de man rijdt ongeveer drie à vier keer per week voor de woning staat geparkeerd en dat hij niet weet of de man naast hem woont, maar de man wel geregeld ziet.

4.6.3.

Getuige [F.] (F) heeft verklaard dat zij eind september 2009 als enige bewoner de woning op het adres van appellant is gaan bewonen, dat zij eind november 2009 ruzie kreeg met appellant en is weggegaan, dat bij terugkomst bleek dat zij de woning van appellant niet meer in kon en dat zij van andere mensen had gehoord dat voor en na haar andere mensen op het adres van appellant hebben gewoond. Voor zover de verklaring van F betrekking heeft op de periode van eind september 2009 tot eind november 2009, is deze verklaring niet relevant, omdat die periode in hoger beroep niet in geschil is. Voor het overige heeft de verklaring van F geen betekenis, omdat deze verklaring in zoverre ‘van horen zeggen’ is.

4.6.4.

Daargelaten dat uit de verklaringen van de als getuigen gehoorde buurtbewoners uit de omgeving van het adres van appellant op zichzelf niet kan worden geconcludeerd dat appellant in periodes 1 en 2 zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante, zijn deze verklaringen niet eenduidig. Zo verklaart de bewoner van [adres 4] dat zij de man op de getoonde foto herkent als man die op nummer 4 woont, terwijl de bewoner van [adres 5] verklaart dat appellant niet op nummer 4 woonachtig is geweest. De bewoner van [adres 6] verklaart dat eind 2008 een Marokkkaanse vrouw met twee kinderen op nummer 4 zijn komen wonen, dat tot een maand geleden twee jongens van ongeveer 20 jaar op nummer 4 hebben gewoond, dat hij daar verder geen andere bewoners heeft gezien, dat hij de man op de foto herkent als de man die de laatste twee weken - vóór

8 september 2010, de datum waarop de verklaring is afgelegd - dagelijks op nummer 4 ziet en dat deze man daar vóór deze periode sporadisch kwam. De huidige en voormalige bewoner van [adres 7] verklaren dat zij de man op de getoonde foto nog nooit hadden gezien en dat deze man niet op nummer 4 woont, respectievelijk dat zij de man en de vrouw op de getoonde foto’s heel in het begin hebben gezien en dat deze man en vrouw wel eens voor een korte periode op nummer 4 kwamen.

4.6.5.

Ook de overige onderzoeksbevindingen - de beschikbare gegevens over water- en energieverbruik in de woning op het adres van appellante, de waarnemingen in maart 2009 en het huisbezoek op 6 maart 2009 - bieden op zichzelf, noch in samenhang bezien een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in periodes 1 en 2 zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat in periodes 1 en 2 niet is voldaan aan het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf. Dit betekent dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat in die periodes sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen appellanten. Gelet hierop was het college niet bevoegd de bijstand van appellante over periodes 1 en 2 in te trekken en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten, moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het college daarbij de bijstand over periodes 1 en 2 heeft ingetrokken en de kosten van bijstand over die periodes heeft teruggevorderd van appellante en mede teruggevorderd van appellant. Aangezien aan het aan appellante gerichte besluit van 16 mei 2011, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over periodes 1 en 2 en de terugvordering over die periodes, hetzelfde gebrek kleeft en niet te verwachten valt dat het college dit gebrek nog zal kunnen herstellen, zal dat besluit in zoverre worden herroepen. Om dezelfde reden zal het aan appellant gerichte besluit, voor zover het betreft de medeterugvordering over periodes 1 en 2, worden herroepen. Voor de duidelijkheid wijst de Raad erop dat van de besluiten van 16 mei 2011 uiteindelijk resteert de intrekking van de bijstand van appellante over periode 5 en de terugvordering en medeterugvordering van de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 1.448,13.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Nu sprake is van samenhangende zaken worden deze kosten voor appellanten gezamenlijk begroot op € 980,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak voor zover

aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 februari 2013 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover het college daarbij de bijstand over de periode van 1 mei 2008 tot en met

31 maart 2009 heeft ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode heeft

teruggevorderd van appellante en mede teruggevorderd van appellant;

- herroept het aan appellante gerichte besluit van 16 mei 2011, voor zover het betreft de

intrekking van de bijstand over de periode van 1 mei 2008 tot en met 31 maart 2009 en de

terugvordering over die periode en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt

van het vernietigde gedeelte van het besluit van 1 februari 2013;

- herroept het aan appellant gerichte besluit van 16 mei 2011, voor zover het betreft de

medeterugvordering over de periode van 1 mei 2008 tot en met 31 maart 2009 en bepaalt dat

deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

1 februari 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 236,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD