Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2015
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
14-3939 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening. Kortsluiting. De aanvraag om bijstand is met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terecht buiten behandeling gesteld op de grond dat verzoekers niet binnen de hen bij brief gegeven hersteltermijn alle gevraagde gegevens hebben overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2015/43 met annotatie van A.M.M.M. Bots
JWWB 2015/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3939 WWB, 14/6589 WWB-VV, 14/6584 WWB, 14/6585 WWB-VV

Datum uitspraak: 21 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] en [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekers)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. M.T.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (rechtbank) van

3 juni 2014, 14/692 en 13 november 2014, 14/4157. Tevens heeft mr. Mes verzoeken om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Mentink.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter van de Raad (voorzieningenrechter) gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekers ontvingen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 25 juli 2013 heeft het college de bijstand van verzoekers met ingang van 26 juli 2013 beëindigd en met ingang van 10 februari 2007 ingetrokken. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Bij besluit van 16 september 2013 heeft het college de over de periode van 10 februari 2007 tot en met 31 mei 2013 gemaakte kosten van bijstand van verzoekers tot een bedrag van €126.103,64 teruggevorderd. Wat betreft deze terugvordering is nog een beroepsprocedure bij de rechtbank aanhangig. Aan de besluitvorming ligt met name ten grondslag dat verzoekster eigenaresse was van onroerend goed, bestaande uit grond met daarop drie woningen in Turkije, waarvan de waarde blijkens een rapport van het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) is getaxeerd op €80.000,-.

1.2.

Verzoekers hebben op 7 oktober 2013 bijstand aangevraagd ingevolge de WWB naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft op 5 november 2013 een intakegesprek plaatsgevonden. Bij brief van 15 november 2013 heeft het college verzoekers gevraagd om voor 4 december 2013 de volgende gegevens over te leggen:

- bewijsstukken van de aankoop van het onroerend goed gelegen in de provincie Konya, [naam perceel];

- bewijsstukken van de financiering van bovenstaand onroerend goed;

- bewijsstukken van de overdracht/verkoop van bovenstaand onroerend goed aan de heer [Verzoeker], inclusief de verkoopwaarde;

- bewijsstukken en verantwoording van de ontvangen gelden die met de overdracht/verkoop van voornoemd appartementencomplex zijn gemoeid;

- een administratie van de verhuur van bovenstaand onroerend goed;

- ( bank)afschriften waarop de geïnde huur is gestort;

- bescheiden van de erfenis van de vader van mevrouw [verzoekster] (bewijs met betrekking tot de grond).

1.3.

Bij brief van 18 november 2013 hebben verzoekers het college meegedeeld dat zij de gevraagde gegevens niet kunnen leveren en dat zij van mening zijn dat die gegevens ook niet van belang zijn voor het afhandelen van de aanvraag. Gelet op de waarde van het onroerend goed en het bedrag van de terugvordering is per saldo sprake van een negatief vermogen.

1.4.

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college de aanvraag van verzoekers, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), buiten behandeling gesteld op de grond dat verzoekers niet binnen de hen bij brief van 15 november 2013 gegeven hersteltermijn alle gevraagde gegevens hebben overgelegd.

1.5.

Bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat op goede gronden om nadere gegevens over het vermogen van verzoekers in Turkije is gevraagd omdat die gegevens noodzakelijk zijn om duidelijkheid te verkrijgen over de financiële positie van verzoekers en daarmee voor de beoordeling van het recht op bijstand.

1.6.

Verzoekers hebben op 14 februari 2014 opnieuw bijstand aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag zijn zij bij brief van 21 maart 2014 uitgenodigd voor een intakegesprek op 31 maart 2014. Bij deze brief heeft het college hen tevens verzocht om nadere gegevens aan te leveren, zoals genoemd onder 1.2. Op 15 april 2014 hebben verzoekers een verklaring van de broer van verzoekster overgelegd. Bij brief van 3 juni 2014 heeft het college verzoekers gevraagd om voor 17 juni 2014 de ontbrekende gegevens over te leggen, waaronder diverse gegevens met betrekking tot het hiervoor bedoelde onroerend goed. Bij brief van 11 juni 2014 hebben verzoekers het college meegedeeld dat de gevraagde gegevens er niet zijn en dat deze niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

1.7.

Bij besluit van 23 juni 2014 heeft het college de aanvraag van verzoekers, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, buiten behandeling gesteld op de grond dat verzoekers niet binnen de hen bij brief van 3 juni 2014 gegeven hersteltermijn alle gevraagde gegevens hebben overgelegd.

1.8.

Bij besluit van 10 oktober 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Verzoekers hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd en verzoeken om voorlopige voorziening gedaan.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.5.

Verzoekers hebben de redelijkheid van de geboden termijn om de gevraagde gegevens te overleggen niet betwist. Verder is niet in geschil dat verzoekers de door het college bij de brieven van 15 november 2013 en 3 juni 2014 gevraagde gegevens over het onroerend goed in Turkije binnen de gegeven hersteltermijn niet hebben overgelegd noch om uitstel hiertoe hebben verzocht.

4.6.

Verzoekers hebben vastgehouden aan hun standpunt dat de gevraagde gegevens niet nodig zijn voor de beoordeling van de aanvragen omdat zij een schuld hebben aan het college die beduidend hoger is dan de getaxeerde waarde van het onroerend goed waardoor hun vermogen bij aanvang van de bijstand hoe dan ook aanmerkelijk negatief is, zodat het recht op bijstand wel vastgesteld had kunnen worden. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.7.

Uit (de bijlagen van) het rapport van het IBF blijkt dat het op naam van verzoekster staande onroerend goed op 30 november 2012 is verkocht aan [Verzoeker] en dat de daarbij gerealiseerde verkoopprijs niet bekend is geworden. Het college heeft in ieder geval terecht verzocht om bewijsstukken van de overdracht/verkoop van het onroerend goed en de verkoopwaarde daarvan, alsmede om bewijsstukken en verantwoording van de ontvangen gelden die met de overdracht/verkoop van het onroerend goed zijn gemoeid. Deze gegevens zijn immers nodig om het vermogen van verzoekers bij aanvang van de bijstand vast te stellen, om inzicht te krijgen in de actuele financiële situatie van verzoekers - waaronder het (eventuele) bezit van contante, uit de verkoop van het onroerend goed ontvangen gelden -, en met het oog op de beoordeling van de vraag of zij in staat zijn tot al dan niet periodieke aflossing van hun schuld bij de gemeente Medemblik. Indien verzoekers geen feitelijke vergoeding zouden hebben ontvangen uit de opbrengst van de verkoop van de woning, is ook dat gegeven van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. In dat geval zou immers sprake kunnen zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

4.8.

Verzoekers hebben, wat betreft de beide aanvragen, voorts aangevoerd dat - onder meer - de gevraagde gegevens met betrekking tot de overdracht/verkoop van het onroerend goed niet voorhanden waren en daardoor niet konden worden overgelegd. Ter zitting van de voorzieningenrechter hebben verzoekers evenwel een “Kadaster Orkunde” van de Turkse Republiek overgelegd. Daarin is vermeld dat het gehele grondgebied, zoals aangeduid in het document, van [verzoekster] (verzoekster) was en is verkocht aan [Verzoeker], met als transactiedatum 30 november 2012 en met een verkoopwaarde van 84.000 Turkse lira. Het document bevat een stempel van de eerste notaris, geplaatst op 14 augustus 2013. Het document dateert van ruim anderhalve maand voor de eerste aanvraag om bijstand. Daaruit moet worden afgeleid dat verzoekers in het kader van de aanvragen om bijstand redelijkerwijs de beschikking konden krijgen over dit document. Zo nodig hadden zij aan het college kunnen vragen om verlenging van de hersteltermijn ten behoeve van het opvragen van het document bij het kadaster in Turkije.

4.9.

De rechtbank heeft overigens terecht geoordeeld dat, indien verzoekers niet in staat waren om officiële documenten aan het college over te leggen, het op hun weg had gelegen om op andere wijze duidelijkheid te verschaffen, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen of facturen. De rechtbank heeft evenals het college terecht geen zwaarwegende of doorslaggevende betekenis toegekend aan de in de aanvraagfase overgelegde verklaring van[Verzoeker] omdat deze verklaring op zichzelf onvoldoende is om als bewijs te kunnen dienen voor de overdracht/verkoop van het (gehele) hier aan de orde zijnde onroerend goed. De verklaring draagt bovendien niet bij aan een goede beoordeling van de financiële positie van verzoekers ten tijde van de aanvragen.

4.10.

Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of (al) de overige gegevens waarom het college in het kader van beide aanvragen heeft verzocht nog van belang waren voor de beoordeling van die aanvragen.

4.11.

Uit 4.7 tot en met 4.10 volgt dat het college bevoegd was om de aanvragen van verzoekers met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Wat verzoekers hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.12.

De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de verzoeken daartoe zullen worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD