Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2015
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
13-6431 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag ten onrechte afgewezen. De beschikbare - en summiere - onderzoeksgegevens bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene zijn hoofdverblijf niet had in de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6431 WWB

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 november 2013, 13/736 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, komende uit [woonplaats], heeft zich per 5 juli 2007 laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA; thans Basisregistratie Personen) op het adres [Adres A.] te [plaatsnaam], het woonadres van zijn ouders. Op 25 september 2012 heeft betrokkene een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend bij appellant. Appellant heeft naar aanleiding hiervan betrokkene een hersteltermijn geboden voor het geven van nadere informatie, onder meer over zijn verblijfplaats. Betrokkene heeft hierop niet gereageerd, waarna appellant bij besluit van 15 oktober 2012 de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling heeft gesteld. Hiertegen heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 22 januari 2013 heeft betrokkene zich opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Hij heeft daarbij alsnog de eerder van hem gevraagde informatie met betrekking tot zijn woon- en leefsituatie verstrekt. Betrokkene heeft hierbij een verklaring van 3 oktober 2012 overgelegd, voorzien van een handtekening van zijn ouders en van hemzelf, waarin is vermeld dat hij hoofdverblijf heeft op het adres [Adres A.] te [plaatsnaam]. Ook heeft betrokkene verklaard dat hij nog steeds op zoek is naar woonruimte in [woonplaats], dat hij tot oktober 2012 geregeld gebruik heeft kunnen maken van een logeerplek in [woonplaats] bij een vriend, [naam L] (L), en dat L in oktober 2012 is verhuisd, waarna betrokkene op dat moment als enige adres zijn ouderlijk adres in [plaatsnaam] had. Op 25 januari 2013 heeft betrokkene de aanvraag om bijstand ingediend. Hierna heeft betrokkene nog bankafschriften overgelegd over de perioden van 2 januari 2012 tot 20 juni 2012 en van 24 september 2012 tot en met 29 januari 2013.

1.3.

Bij brief van 30 januari 2013 heeft appellant betrokkene verzocht om binnen een week na verzenddatum van de brief nadere informatie te verstrekken over onder andere zijn verblijfplaats. Hierop heeft betrokkene bij brief, door appellant ontvangen op 5 februari 2013, gereageerd.

1.4.

Op 20 februari 2013 hebben medewerkers van de gemeente [plaatsnaam]-Sappemeer een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het adres [Adres A.] te [plaatsnaam], waarbij betrokkene zelf niet werd aangetroffen. Van dit huisbezoek is geen verslag gemaakt. Hierna heeft appellant bij brief van 20 februari 2013 betrokkene verzocht nadere gegevens te verstrekken, waarop betrokkene bij brieven van 25, 26 en 28 februari 2013 heeft gereageerd. Op 27 februari 2013 hebben medewerkers van de gemeente Hoogezand-Sappemeer opnieuw een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het adres [Adres A.] te [plaatsnaam], waarbij betrokkene zelf wederom niet werd aangetroffen, maar zijn vader wel. De vader van betrokkene heeft desgevraagd verklaard dat betrokkene aan het werk was en de afgelopen nacht niet thuis had geslapen. Ook heeft de vader van betrokkene verklaard dat betrokkene in de laatste week maar één keer in [plaatsnaam] is geweest en voor de rest aan de

[Adres B.] te [woonplaats] had verbleven. Na onderzoek door appellant is gebleken dat op dit adres L woonachtig is.

1.5.

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft appellant de aanvraag van 25 januari 2013 afgewezen op de grond dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft in [plaatsnaam].

1.6.

Bij besluit van 1 juli 2013 (bestreden besluit) heeft appellant, in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften Sociale Voorzieningen (commissie), het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2013 ongegrond verklaard op de grond dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft in [plaatsnaam]. Volgens appellant heeft de commissie ten onrechte geconcludeerd dat uit de bevindingen van het onderzoek weliswaar blijkt dat betrokkene regelmatig in [woonplaats] verbleef, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat betrokkene zijn woonstede in [plaatsnaam] heeft prijsgegeven. De commissie is hierbij ten onrechte uitgegaan van een hoofdverblijf van betrokkene in [plaatsnaam] voorafgaand aan zijn aanvraag. Appellant heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat betrokkene in ieder geval tot oktober 2012 zijn hoofdverblijf niet bij zijn ouders in Hoogeveen had, maar in [woonplaats]. Van daden waaruit blijkt dat betrokkene zijn woonstede in [woonplaats] op enig moment vanaf oktober 2012 heeft willen prijsgeven is volgens appellant niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant op grond van de beschikbare informatie niet heeft kunnen concluderen dat betrokkene ten tijde van de aanvraag zijn hoofdverblijf had in [woonplaats].

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 22 januari 2013, de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 8 maart 2013, de datum van de afwijzing van de aanvraag.

4.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene in de periode tot oktober 2012 zijn bestendig hoofdverblijf had in [woonplaats] en dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf oktober 2012 zijn woonstede in [woonplaats] heeft prijsgegeven en verplaatst naar [plaatsnaam]. Dit toetsingskader is onjuist, reeds omdat appellant hiermee buiten de in 4.1 genoemde beoordelingsperiode is getreden. Ter beoordeling ligt uitsluitend de vraag voor of betrokkene in de hier te beoordelen periode zijn woonplaats had in [plaatsnaam].

4.3.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is onder meer verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Betrokkene heeft meerdere keren in februari 2013 op verzoek van appellant schriftelijk inlichtingen gegeven over onder meer zijn verblijf in [plaatsnaam] en [woonplaats]. Daaruit komt naar voren dat betrokkene consequent heeft verklaard zijn hoofdverblijf te hebben in [plaatsnaam]. Hij is gemiddeld vier dagen per week bij zijn ouders in [plaatsnaam], terwijl hij overdag bijna altijd in [woonplaats] is bij vrienden. Alleen de week, waarin de vader van betrokkene is gesproken, vormt daarop een uitzondering, zoals betrokkene ook heeft bevestigd. De persoonlijke spullen van betrokkene, zoals zijn kleding, verzorgingsspullen en administratie, bevinden zich in zijn ouderlijk huis in [plaatsnaam], terwijl hij in [woonplaats] geen vast woonadres heeft. Er is geen aanleiding om de verklaringen van betrokkene voor onjuist of onvolledig te houden.

4.6.

Appellant heeft twee keer een bezoek laten afleggen aan het opgegeven adres in [plaatsnaam]. Het resultaat van deze bezoeken, waarvan geen verslag is gemaakt, reikt niet verder dan dat betrokkene op die twee dagen niet thuis werd aangetroffen en dat hij de twee daaraan voorafgaande nachten niet thuis heeft geslapen. Nader onderzoek naar de woonplaats waar betrokkene in de te beoordelen periode feitelijk zijn hoofdverblijf had, heeft appellant niet verricht, terwijl dat bij twijfel over de door betrokkene gegeven inlichtingen wel op zijn weg had gelegen. De beschikbare - en summiere - onderzoeksgegevens bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene zijn hoofdverblijf niet had in [plaatsnaam], maar in [woonplaats].

4.7.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van 18 maart 2013 in stand blijft.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep heeft gemaakt. De kosten worden begroot op € 490,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 490,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD