Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2015
Datum publicatie
23-04-2015
Zaaknummer
13-6281 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Doordat appellant niet tijdig heeft gemeld dat zijn feitelijke adres is gewijzigd, is, achteraf de feitelijke woonsituatie niet meer te controleren. De enkele verklaring van appellant dat hij zich heeft aangemeld bij een daklozencentrum, maar daar slechts een paar nachten terecht kon, geeft geen duidelijkheid over waar hij wel heeft verbleven. Appellant heeft verder geen informatie verstrekt over zijn feitelijke woon- of verblijfplaats. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand als gevolg van die schending niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6281 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 november 2013, 13/2412 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Voor appellant is verschenen mr. Haring. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 25 oktober 2012 heeft appellant zich gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Daarbij heeft hij vermeld dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Tijdens het intakegesprek op 18 december 2012 heeft appellant gemeld dat hij vanaf begin december 2012 woont bij een vriend op het adres[adres] (opgegeven adres). Het college heeft appellant vervolgens verzocht om nader genoemde gegevens omtrent zijn woon- en verblijfsituatie in te leveren.

1.2.

Bij besluit van 7 januari 2013 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3.

Appellant heeft zich vervolgens op 15 januari 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente Amsterdam op het opgegeven adres. Op 22 januari 2013 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft deze aanvraag om bijstand bij besluit van 6 februari 2013 eveneens afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 29 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 januari 2013 en 6 februari 2013 deels gegrond verklaard en aan appellant alsnog bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend over de periode van 19 november 2013 tot en met 14 maart 2013. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant het opgegeven adres per 15 maart 2013 heeft verlaten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de ingangsdatum betreft en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het college aan appellant met ingang van 25 oktober 2012 bijstand naar de voor hem geldende norm dient toe te kennen. De rechtbank heeft ten aanzien van de beëindiging van de bijstand per 15 maart 2013, samengevat, overwogen dat appellant eerst tijdens de hoorzitting van 24 (lees: 25) april 2013 heeft gemeld dat hij het opgegeven adres had verlaten en daarmee niet (tijdig) heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Nu appellant geen concrete informatie heeft verstrekt over zijn woon- en verblijfplaats na 15 maart 2013 is het recht op bijstand vanaf die datum niet vast te stellen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij eerst tijdens de hoorzitting de verandering van zijn hoofdverblijf heeft gemeld. Hierbij wegen alle omstandigheden mee, met name de onzorgvuldige en trage besluitvorming van het college waardoor de aanvragen om bijstand van appellant ten onrechte eerst zijn afgewezen en appellant zes maanden zonder inkomsten heeft gezeten. Onder die omstandigheden is dan ook geen sprake van een schending van de inlichtingenverplichting door appellant en had het college de bijstand niet zonder nader onderzoek naar de woon- en verblijfsituatie kunnen beëindigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 15 maart 2013 tot en met 29 april 2013.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Niet in geschil is dat de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB ook na de besluiten tot afwijzing van de aanvragen om bijstand van appellant nog gold, omdat appellant tegen deze besluiten bezwaar heeft gemaakt en aanspraak maakte op bijstand over de te beoordelen periode.

4.4.

Niet in geschil is verder dat appellant op 15 maart 2013 het opgegeven adres heeft verlaten en het college niet onverwijld heeft gemeld dat zijn feitelijke adres is gewijzigd. Het betoog van appellant dat de onzorgvuldige en trage besluitvorming van het college maakt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet tijdig heeft gemeld dat hij het opgegeven adres had verlaten, slaagt niet. De inlichtingenverplichting rust immers onverkort op appellant en wordt niet anders door een gestelde afwachtende handelwijze van het college. Daarbij komt dat voor appellant andere wegen open staan om het college te bewegen tot tijdige besluitvorming, zoals het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet onverwijld te melden dat hij niet meer woonachtig was op het opgegeven adres.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor beëindiging van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is daarom aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de te beoordelen periode recht op bijstand zou hebben gehad. Doordat appellant niet tijdig heeft gemeld dat zijn feitelijke adres is gewijzigd is, achteraf de feitelijke woonsituatie van appellant vanaf 15 maart 2013 niet meer te controleren. De enkele verklaring van appellant dat hij zich na die datum heeft aangemeld bij een daklozencentrum, maar daar slechts een paar nachten terecht kon, geeft geen duidelijkheid over waar hij wel heeft verbleven. Appellant heeft verder geen informatie verstrekt over zijn feitelijke woon- of verblijfplaats na 15 maart 2013. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand als gevolg van die schending niet is vast te stellen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4.7.

Gelet op 4.6 bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD