Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2015
Datum publicatie
23-04-2015
Zaaknummer
13-3468 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen, omdat hij vanaf medio mei 2011 in een land (Ghana) woont waarvoor de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) gevolgen heeft. Terugvordering. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Kortsluiting. Ten onrechte aangenomen dat verzoeker al vanaf medio mei 2011 niet meer in Nederland woonde. Uitgangspunt is dat verzoeker eerst vanaf eind september 2011 niet meer in Nederland woonde. Verzoeker heeft recht op ouderdomspensioen gekregen lang nadat de Wet BEU in werking is getreden. Daar komt bij dat in het geval van verzoeker het ouderdomspensioen niet volledig is beëindigd, maar is verlaagd van 70 naar 50% van het basisbedrag. Niet gezegd kan worden dat op verzoeker een ‘individual and excessive burden’ wordt gelegd met de verlaging van zijn ouderdomspensioen. Verder staan de overige door verzoeker aangehaalde internationale bepalingen niet in de weg aan toepassing van artikel 9a van de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3468 AOW, 15/1084 AOW-VV

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2013, 12/4426 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van

2 februari 2015

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats], Ghana (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 maart 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker is [in] 1941 geboren in Nederland. Aan hem is met ingang van maart 2006 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, berekend naar de norm van een gehuwde. Bij besluit van 15 maart 2010 is het ouderdomspensioen met ingang van maart 2010 nader vastgesteld naar de norm van een ongehuwde, te weten 70% van het netto-minimumloon.

1.2.

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de Svb aan verzoeker meegedeeld dat hij met ingang van juni 2011 recht heeft op een ouderdomspensioen naar de norm van een gehuwde, te weten 50% van het netto-minimumloon, omdat hij vanaf 20 mei 2011 in een land (Ghana) woont waarvoor de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) gevolgen heeft. Met een afzonderlijk besluit van 15 december 2011 is beslist dat het te veel betaalde bedrag aan ouderdomspensioen wordt teruggevorderd. Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 6 augustus 2012 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen de herziening van het ouderdomspensioen ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van

6 augustus 2012 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen de terugvordering eveneens ongegrond verklaard. De Svb heeft daarbij overwogen dat verzoeker vanaf zijn feitelijke vertrek naar Ghana medio mei 2011, niet meer in Nederland woont. Vanaf dat moment geldt de Wet BEU en dient het ouderdomspensioen op grond van artikel 9a van de AOW te worden herzien naar 50% van het netto-minimumloon. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen beide bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de Svb terecht met ingang van juni 2011 het ouderdomspensioen van verzoeker heeft herzien, omdat verzoeker per medio mei 2011 niet meer in Nederland woont maar in Ghana. Aangezien met dat land geen handhavingsverdrag is gesloten, heeft verzoeker vanaf 1 juni 2011 op grond van artikel 9a van de AOW recht op een ouderdomspensioen ter hoogte van 50% van het netto-minimumloon in plaats van 70%. De verlaging van het ouderdomspensioen leidt niet tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol, EVRM) en evenmin is sprake van schending van artikel 14 van het EVRM.

3. In hoger beroep heeft verzoeker, kort samengevat, aangevoerd dat hij niet per medio mei 2011 in Ghana woont maar per 22 december 2011, omdat hij eerst op dat moment beschikte over een verblijfsvergunning. Verder is de Wet BEU onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat in het wetgevingsproces geen rekening is gehouden met diverse internationaalrechtelijke bepalingen, zoals neergelegd in onder meer de Universele Verklaring van de rechten van de mens (Universele Verklaring), het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Europees Sociaal Handvest (ESH). Verzoeker meent dat de verlaging van zijn ouderdomspensioen wel degelijk een inbreuk op zijn eigendomsrecht oplevert en heeft tevens aangevoerd dat hij ongelijk behandeld wordt ten opzichte van personen die in Nederland wonen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.1 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.3.

Artikel 9a van de AOW kent ten aanzien van de hoogte van het ouderdomspensioen een van artikel 9 afwijkende regeling voor personen die niet in Nederland wonen. Op grond van het eerste lid van dit artikel heeft de ongehuwde pensioengerechtigde die buiten Nederland woont, geen aanspraak op de grondslag van 70%, maar geldt de grondslag van 50% van het netto-minimumloon (de grondslag voor een ongehuwde pensioengerechtigde), tenzij - kort samengevat - de betrokkene woont in een land waar hij op grond van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op (een volledige) uitkering heeft.

4.4.

In de eerste plaats is tussen partijen in geschil vanaf welke datum verzoeker niet meer in Nederland woont. In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en

4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.5.

Uitgegaan wordt van de volgende tussen partijen niet betwiste feiten en omstandigheden. Verzoeker is geboren in Nederland, heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft hier gewoond tot aan zijn vertrek naar Ghana medio mei 2011. Wegens een echtscheiding heeft verzoeker zijn huis verkocht. Op 2 mei 2011 heeft hij zich uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie. Hij heeft een postadres in Nederland aangehouden. Bij aankomst in Ghana heeft verzoeker een verblijfsvergunning aangevraagd, welke hem per medio december 2011 is verleend. Verzoeker verbleef vanaf zijn aankomst in Ghana in diverse niet-permanente verblijven. Hij is zich gaan oriënteren op de mogelijkheden om een eigen bedrijf te starten om nadere invulling te geven aan zijn verdere verblijf. Op enig moment is verzoeker gestart met zijn bedrijf. Per eind september 2011 heeft verzoeker zelfstandige woonruimte gehuurd.

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in 4.5 beschreven feiten en omstandigheden, hoewel verzoeker medio mei 2011 feitelijk is vertrokken uit Nederland en op dat moment niet meer beschikte over zelfstandige woonruimte, niet tot de conclusie leiden dat reeds per medio mei 2011 geen sprake meer is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen verzoeker en Nederland. Van belang wordt daarbij geacht, dat verzoeker reeds jarenlang in Nederland heeft gewoond, zich in Ghana ging oriënteren op zijn verdere verblijf aldaar en tot eind september ook in Ghana niet beschikte over zelfstandige woonruimte. In deze in meer of mindere mate onzekere periode kan niet worden aangenomen dat verzoekers vertrek uit Nederland van definitieve aard was. Het omslagmoment waaruit dit wel dient te worden geconcludeerd is het huren van definitieve woonruimte. Deze omstandigheid, in samenhang bezien met het opstarten van een eigen bedrijf en het aanvragen van een verblijfsvergunning, leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat vanaf eind september 2011 kan worden geconcludeerd dat de duurzame band van persoonlijke aard tussen verzoeker en Nederland is geëindigd. De op artikel 9a van de AOW gebaseerde herziening van het ouderdomspensioen, en de daarmee gepaard gaande terugvordering, zou dan ook per die datum aan de orde kunnen zijn.

4.7.

Uit het onder 4.3 tot en met 4.6 overwogene volgt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat betrokkene al vanaf medio mei 2011 niet meer in Nederland woonde.

4.8.

Uitgaande van het oordeel dat verzoeker eerst vanaf eind september 2011 niet meer in Nederland woonde, wordt met betrekking tot de toepassing van artikel 9a van de AOW, in relatie tot de door verzoeker ingeroepen internationale bepalingen, het volgende van belang geacht.

4.9.

Artikel 9a van de AOW is ingevoerd bij de Wet BEU. Met deze wet is beoogd regelgeving tot stand te brengen waarmee wordt voorzien in de mogelijkheid de rechtmatigheid te controleren van uitkeringen die aan personen in het buitenland worden verstrekt. Teneinde de rechtmatigheid van de uitkeringen te kunnen controleren zijn in de onder 4.3 bedoelde verdragen bepalingen opgenomen omtrent de controleerbaarheid van gegevens en de handhaafbaarheid van het recht op uitkering. De Raad heeft in verschillende uitspraken reeds geoordeeld dat de toepassing van artikel 9a van de AOW onder omstandigheden geen ontoelaatbare inbreuk op het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol noch een ontoelaatbaar onderscheid naar woonplaats in de zin van artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol met zich brengt. Dit geldt zowel voor de verlaging van het ouderdomspensioen als gevolg van verhuizing van de pensioengerechtigde na 1 januari 2006 naar het buitenland (ECLI:NL:CRVB:2011:BR3541) als voor de verlaging van een reeds voor 1 januari 2006 toegekend ouderdomspensioen als gevolg van de opzegging van ILO-conventie 118 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI0952). In die uitspraken is overwogen dat de inbreuk op het eigendomsrecht door invoering van de Wet BEU geregeld is in een wet in formele zin, dat de doelstelling van de Wet BEU legitiem is, dat onder meer artikel 9a van de AOW een passend middel is om de gestelde doelstelling te realiseren, dat de door de wetgever gemaakte afweging van belangen niet kennelijk onredelijk is, terwijl niet gezegd kan worden dat op betrokkenen een ‘individual and excessive burden’ wordt gelegd.

4.10.

De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen in het geval van verzoeker, waarin een lager ouderdomspensioen is toegekend als gevolg van zijn verhuizing naar het buitenland. Daarbij is van belang dat verzoeker recht op ouderdomspensioen heeft gekregen lang nadat de Wet BEU in werking is getreden. Daar komt bij dat in het geval van verzoeker het ouderdomspensioen niet volledig is beëindigd, maar is verlaagd van 70 naar 50% van het basisbedrag. Niet gezegd kan worden dat op verzoeker een ‘individual and excessive burden’ wordt gelegd met de verlaging van zijn ouderdomspensioen. Verder staan de overige door verzoeker aangehaalde internationale bepalingen niet in de weg aan toepassing van artikel 9a van de AOW.

4.11.

Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat de Wet BEU onzorgvuldig tot stand is gekomen, wordt erop gewezen dat de Raad zich in constante rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat artikel 120 van de Grondwet (mede) een verbod inhoudt om wetten in formele zin, zoals in dit geval de Wet BEU, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en dat de rechter voorts niet mag treden in een belangenafweging welke reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht

(HR 14 april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest). Van ‘niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden’, welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding zouden kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten, is de voorzieningenrechter in het onderhavige geval niet gebleken.

4.12.

Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Verder dient het beroep van appellant gegrond te worden verklaard en de bestreden besluiten vernietigd te worden. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de voorzieningenrechter geen ruimte. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de voorzieningenrechter van bepalingen inzake het begrip verzekerde. Daarom zal de voorzieningenrechter bepalen dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt. Daarbij dient bij de herziening en terugvordering als uitgangspunt te worden genomen dat verzoeker eerst vanaf eind september 2011 niet meer in Nederland woonde.

4.13.

Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten van 6 augustus 2012;

- draagt de Svb op nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Svb aan verzoeker het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 320,- vergoedt;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M. Crum

MK