Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2015
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
13-1156 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:296, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. De onverschuldigdheid van hetgeen aan appellant te veel aan WAO-uitkering is betaald, staat vast. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1156 WAO

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 januari 2013, 12/2976 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 23 april 2008 heeft het Uwv de appellant toekomende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 24 april 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 16 december 2011 heeft het Uwv het besluit van 23 april 2008 ingetrokken en de uitkering van appellant ingevolge de WAO per 24 april 2007 onveranderd vastgesteld en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. Tegen dit besluit is mr. Van Baaren namens appellant bij brief van 13 april 2012 in bezwaar gekomen. Dat bezwaar is bij besluit van 14 juni 2012 wegens termijnoverschrijding
niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld.

3. Op grond van artikel 57 van de WAO heeft het Uwv bij besluit van 25 januari 2012 een bedrag van € 31.198,65 bruto over de periode van 24 april 2007 tot en met 31 december 2011 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de WAO van appellant teruggevorderd. Het tegen dat besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 5 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak vastgesteld dat, nu appellant geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 14 juni 2012, dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee staat de onverschuldigdheid van hetgeen aan appellant over de periode van 24 april 2007 tot en met 31 december 2011 te veel aan WAO-uitkering is betaald vast. Vervolgens komt de rechtbank tot het oordeel dat het Uwv, nu vaststaat dat over de genoemde periode te veel aan uitkering is betaald, gehouden was dit bedrag van appellant terug te vorderen. Van een dringende reden in de zin van artikel 57, vierde lid, van de WAO op grond waarvan het Uwv van terugvordering zou hebben kunnen afzien is de rechtbank niet gebleken.

5. In hoger beroep heeft appellant uitsluitend aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aanneemt dat het rechtens onaantastbaar zijn van de besluiten van 16 december 2011 en
14 juni 2012 tevens betekent dat alle feiten en omstandigheden die daarin worden genoemd of daaraan ten grondslag hebben gelegen ook juist zijn en dus niet meer ter beoordeling staan. Gelet op zijn belang had appellant door het Uwv in de gelegenheid moeten worden gesteld om aan te tonen dat de feitelijke grondslag van het besluit van 16 december 2011 onjuist was.

6. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

7. De Raad oordeelt als volgt.

7.1.

De Raad leest hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert aldus dat, gegeven het grote financiële belang van appellant, het Uwv het besluit van 16 december 2011 - alhoewel het daartegen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard - opnieuw had moeten beoordelen.

7.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat nu appellant niet in beroep is gekomen van het besluit van 14 juni 2012, dit besluit - en daarmee ook het besluit van 16 december 2011 - in rechte onaantastbaar is geworden. Ook voor de Raad staat daarmee de onverschuldigdheid van hetgeen aan appellant over de periode van 24 april 2007 tot en met 31 december 2011 te veel aan WAO-uitkering is betaald vast. De rechtbank is terecht uitgegaan van de juistheid van het besluit van 16 december 2011, zowel wat betreft het rechtsgevolg daarvan als de wijze van totstandkoming. Het gestelde financiële belang van appellant vormde dus terecht voor de rechtbank geen grond om in het kader van haar beoordeling van het terugvorderingsbesluit van 5 juli 2012 de rechtskracht van het besluit van 16 december 2011 te doorbreken. Appellant kan desgewenst een verzoek op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht bij het Uwv indienen.

7.3.

Gezien hetgeen is overwogen in 7.2 slaagt het hoger beroep niet.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) W. de Braal

TM