Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1099

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
13-2635 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering het WAO-dagloon van appellant te herzien. Naar de rechtbank terecht heeft vastgesteld is appellant onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt gebleven, zodat van een toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WAO geen sprake kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2635 WAO

Datum uitspraak: 8 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 april 2013, 12/2675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. P. Rijnsburger, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is met ingang van 12 november 2004 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Zijn dagloon is daarbij gesteld op € 34,94.

1.2.

Met ingang van 11 september 2006 heeft appellant productiewerk verricht via een uitzendbureau. In verband daarmee is zijn WAO-uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald als ware hij 65 tot 80% arbeidsongeschikt.

1.3.

Met betrekking tot de periode van 1 december 2006 tot en met 30 juni 2007 heeft het Uwv in 2007 diverse besluiten genomen over de uitbetaling van de WAO-uitkering van appellant onder toepassing van artikel 44 van de WAO en daarmee samenhangende terugvorderingen. De bezwaren van appellant tegen deze besluiten zijn gegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2007 heeft het Uwv de betaling van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 december 2007 geschorst in verband met verdiensten die aanleiding vormden om te vermoeden dat geen recht meer bestond op uitkering.

1.5.

Op 1 juni 2010 heeft appellant zich ziek gemeld. In verband hiermee heeft hij gedurende 104 weken ziekengeld ontvangen.

1.6.

Bij besluiten van 4 april 2012 heeft het Uwv de in 1.4 genoemde schorsing ongedaan gemaakt in verband met het (alsnog) beschikbaar komen van loongegevens over december 2007, besloten de uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van 1 december 2007 tot en met 31 december 2007 uit te betalen als ware appellant 65 tot 80% arbeidsongeschikt en vanaf 1 januari 2008 niet meer uit te betalen in verband met een toename van de inkomsten van appellant per 1 januari 2008.

1.7.

Bij brief van 22 mei 2012 heeft appellant het Uwv, onder verwijzing naar artikel 40, eerste lid, van de WAO, verzocht zijn WAO-dagloon te herzien.

1.8.

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd het WAO-dagloon van appellant per 29 mei 2012 te herzien, omdat appellant al ingedeeld was in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse en dus geen sprake kon zijn van een toename van arbeidsongeschiktheid als vereist voor toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO.

1.9.

Bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 mei 2012 ongegrond verklaard en het in dat besluit neergelegde standpunt gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd en daarbij verwezen naar hetgeen hij in eerste aanleg heeft betoogd. Appellant mocht er naar zijn mening, toen hij na 2007 geen berichten meer ontving van het Uwv en vanaf 1 december 2007 geen betaling meer ontving, vanuit gaan dat het verwerven van verdiensten uiteindelijk had geleid tot een afschatting waarbij hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was geacht. Appellant is naar zijn mening niet juist en niet volledig door het Uwv geïnformeerd. Appellant stelt wel te hebben voldaan aan de eisen van artikel 40, eerste lid, van de WAO.

Appellant heeft zich voorts beroepen op toezeggingen van een medewerkster van het Uwv. Appellant heeft daarbij verwezen naar de inhoud van een besluit van 17 januari 2011 op een eerder verzoek het dagloon opnieuw te berekenen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft benadrukt dat appellant vanaf 12 november 2004 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is gebleven, zodat van een toename van arbeidsongeschiktheid geen sprake kan zijn. Dat de uitkering in diverse periodes niet of niet geheel is uitbetaald onder toepassing van artikel 44 van de WAO maakt dit niet anders. De juistheid of de onjuistheid van de toepassing van artikel 44 van de WAO acht het Uwv daarbij niet relevant evenmin als de informatieverstrekking over de toepassing van artikel 44 van de WAO.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd het dagloon waarop de WAO-uitkering van appellant is gebaseerd met ingang van 29 mei 2012 opnieuw vast te stellen, onder toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO.

4.2.

Artikel 40, eerste lid, van de WAO voorziet in de mogelijkheid van het opnieuw vaststellen van het (vervolg)dagloon indien ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van de uitkering alsmede toekenning van ziekengeld krachtens de Ziektewet dan wel loondoorbetaling op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft plaatsgevonden en mits dit leidt tot een hoger dagloon.

4.3.

Naar de rechtbank terecht heeft vastgesteld is appellant vanaf 12 november 2004 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt gebleven, zodat van een toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WAO geen sprake kan zijn. Aldus voldoet appellant niet aan de in artikel 40 van de WAO gestelde voorwaarden voor het opnieuw vaststellen van het dagloon. Appellant kan, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij ervan uit mocht gaan dat zijn uitkering op enig moment na 1 december 2007 was beëindigd. Het niet tot uitbetaling komen van zijn uitkering was het gevolg van de in 1.4 vermelde schorsing, die, zoals in 1.6 overwogen, in 2012 ongedaan is gemaakt.

4.4.

Anders dan appellant heeft betoogd kan uit het eerdere besluit van 17 januari 2011, waarbij is geweigerd het dagloon per 3 januari 2011 opnieuw te berekenen, niet worden afgeleid dat appellant is toegezegd dat hij na ommekomst van de wachttijd van 104 weken wel in aanmerking zou komen voor een nieuwe berekening van zijn dagloon. In dit besluit wordt, naast het vervullen van de wachttijd van 104 weken uitdrukkelijk ook als voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een herziening van de uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.5.

De vraag of het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO valt buiten de omvang van dit geding. Hetzelfde geldt voor de vraag of het Uwv appellant hierover op juiste wijze heeft geïnformeerd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) W. de Braal

JL