Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
13-5600 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Door geen melding te maken van werkzaamheden. De duidelijke verklaring van appellant biedt op zichzelf voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant ten tijde van het verhoor gedurende twee jaar op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht gedurende ten minste 7,5 uur per week. Dat het hier op geld waardeerbare arbeid betrof, vindt bovendien steun in de waarnemingen, waarbij appellant in bedrijfskleding werkend is aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5600 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 september 2013, 13/3249 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

Datum uitspraak: 7 april 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Buijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

T. Williams.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 19 juli 1996 en ten tijde in geding bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme telefonische tip van een buurtbewoner heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De tipgever heeft gemeld dat appellant sinds twee jaar iedere week op vrijdag tot ongeveer 12.00 uur portieken schoonmaakt ter hoogte van de [straatnaam 1] tot de [straatnaam 2] in [plaatsnaam]. Hij draagt bedrijfskleding, een blauw shirt en een zwarte broek. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 december 2011.

1.3.

Op vrijdag 2 december 2011 zijn omstreeks 9.15 uur twee handhavingsmedewerkers van de gemeente langs de flatwoningen aan de [straatnaam 1] te [plaatsnaam] gereden en hebben zij waargenomen dat appellant schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. Hij droeg een trui met opschrift en een glazenwassersgordel. Op vrijdag 9 december 2011 is appellant door een handhavingsmedewerker wederom op dezelfde locatie aangetroffen. Waargenomen is dat appellant zich in de portiek van de flatwoningen bevond en dat hij op de een na bovenste etage aan het dweilen was. Op de voorzijde van zijn trui stond het opschrift ‘schoonmaakbedrijf’ en op de achterzijde ‘glazenwasserij’.

1.4.

Op 14 december 2011 is appellant gehoord door een handhavingsmedewerker op het gemeentekantoor in [plaatsnaam]. Appellant heeft een verklaring afgelegd, die is vastgelegd in het rapport van 16 december 2011. Daaruit komt naar voren dat appellant sinds twee jaar werkzaamheden verricht voor [X.] ([X.]). Appellant rijdt [X.], omdat deze geen auto heeft, verplaatst met zijn auto de aanhangwagen en zij doen samen de portieken. Gemiddeld verricht appellant 7,5 uur per week werkzaamheden voor [X.].

1.5.

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft het college de bijstand herzien over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 op de grond dat appellant vanaf 1 januari 2010 werkzaamheden heeft verricht en dit niet aan het college heeft gemeld. Appellant heeft 7,5 uur per week gewerkt en had voor die uren het minimumloon kunnen bedingen.

1.6.

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft het college de kosten van de over de in 1.5 vermelde periode teveel verstrekte bijstand tot een bedrag van € 6.446,04 van appellant teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 13 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 16 februari 2012 en 28 februari 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat de anonieme tip, zijn verklaring van 14 december 2011 en de beperkte observaties niet als grondslag kunnen dienen voor de gedeeltelijke herziening en terugvordering van de bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat een anonieme tip op zichzelf geen grond vormt voor een belastend besluit, reeds omdat de betrouwbaarheid en juistheid daarvan niet kan worden getoetst. Een dergelijke tip kan, mits deze relevant, concreet en voldoende is onderbouwd, wel aanleiding vormen voor het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Anders dan appellant kennelijk meent behoeven de uit dat onderzoek verkregen gegevens niet buiten beschouwing te blijven.

4.2.

Voorts mag in beginsel worden uitgegaan van een door handhavingsmedewerkers van een bestuursorgaan opgemaakt verslag van een gesprek of verhoor, indien dat verslag door de betrokkene is gelezen of aan de betrokkene is voorgelezen en vervolgens door de betrokkene is ondertekend, ook als de inhoud van de in dat verslag opgenomen verklaring later geheel of gedeeltelijk wordt weersproken of herroepen.

4.3.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in dit geval zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat appellant weliswaar psychische klachten heeft, maar hiermee is nog niet aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van het verhoor als gevolg van zijn psychische problematiek niet feitelijk en naar waarheid kon verklaren. Uit het overgelegde neuropsychologisch rapport van 15 juni 2011 volgt dat appellant depressieve klachten heeft en dat sprake is van enkele cognitieve stoornissen die, als meest waarschijnlijk, zijn te verklaren vanuit zijn depressie. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat appellant ten tijde van zijn verhoor ernstige geheugenproblemen had en/of niet in staat was naar behoren een verklaring af te leggen over de aard, duur en omvang van zijn werkzaamheden voor [X.]. De in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts van 24 december 2013 en het overzicht van zijn medicijngebruik bieden daarvoor evenmin een toereikende grondslag. Overigens blijkt uit de naar plaats en tijd gedetailleerde verklaring van appellant ten overstaan van de handhavingsmedewerker van 14 december 2011 geenszins dat hij geheugenproblemen had of dat hij zich bepaalde zaken niet goed voor de geest kon halen. Het betoog van appellant dat het college, alvorens te beslissen, nader onderzoek had moeten doen naar de psychische problematiek van appellant treft dan ook geen doel.

4.4.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de duidelijke verklaring van appellant van 14 december 2011 op zichzelf voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat appellant ten tijde van het verhoor gedurende twee jaar op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht gedurende ten minste 7,5 uur per week. Dat het hier op geld waardeerbare arbeid betrof, vindt bovendien steun in de in 1.3 vermelde waarnemingen, waarbij appellant in bedrijfskleding werkend is aangetroffen. Daarnaast kan uit de stukken worden afgeleid dat de eerste contacten van appellant met [X.] over te verrichten klussen en hand- en spandiensten dateren van medio 2009, toen appellant kampte met ernstige depressieve klachten en samen met familieleden is gezocht naar activiteiten die bij hem voor afleiding konden zorgen. Niet in geschil is verder dat appellant van deze werkzaamheden geen melding heeft gemaakt bij het college, zodat hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Met de rechtbank moet daarom worden geoordeeld dat het college bevoegd was tot herziening van de bijstand. Tegen de uitoefening van deze bevoegdheid en de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeven.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. Moustaine

IJ