Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
13-6867 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging arbeidsverplichtingen voor 20 uur per week. Medische beperkingen. Weigering verdergaand van die verplichtingen te ontheffen wegens dringende redenen. Geen aanleiding het nadere advies ondeugdelijk en/of onjuist te achten. De verzekeringsarts heeft het aan het eerdere advies klevende gebrek geheeld. Onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de verzekeringsarts een onjuiste afweging heeft gemaakt met betrekking tot belastbaarheid van appellante voor arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6867 WWB

Datum uitspraak: 7 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2013, 12/5970 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.L.I. Meekel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Namens appellante is verschenen mr. M.A. van Hoof, kantoorgenoot van mr. Meekel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 27 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 september 2011, heeft het college aan appellante in verband met haar medische beperkingen arbeidsverplichtingen opgelegd voor 20 uur per week. Bij uitspraak van 31 januari 2012,

nr. 11/4930, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 15 september 2011 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het college heeft ter uitvoering van die uitspraak van de rechtbank op

13 maart 2012 een nieuw besluit genomen en heeft daarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 juni 2011 gegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 13 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante opnieuw in verband met haar medische beperkingen arbeidsverplichtingen opgelegd voor 20 uur per week. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op het in het medisch keuringsrapport van 16 april 2012 vervatte advies van de verzekeringsarts dat appellante, met inachtneming van haar beperkingen, voor maximaal

20 uur per week, te verdelen over vijf dagen, belastbaar is voor het verrichten van passend werk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de verzekeringsarts onzorgvuldig heeft gehandeld omdat hij in het kader van het in 1.2 genoemde advies geen informatie bij de behandelende artsen heeft opgevraagd en niet heeft onderkend dat appellante ten tijde van zijn onderzoek ook nog in behandeling was bij de psycholoog (I-psy). De verzekeringsarts heeft in beroep per e-mailbericht van 12 juni 2013 alsnog een reactie gegeven op de door appellante ingebrachte stukken, te weten een verklaring van een revalidatiearts, een verklaring van de fysiotherapeut en een verklaring van I-psy. Uit die reactie blijkt dat de verzekeringsarts daarin geen aanleiding heeft gezien voor een herziening of een aanpassing van zijn eerdere advies. Daarom heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Samengevat heeft appellante aangevoerd dat zij medisch gezien niet in staat is om 20 uur per week te werken en dat de verzekeringsarts in zijn advies van 12 juni 2013 de bevindingen van I-psy, de revalidatiearts en de fysiotherapeut van appellante, zoals deze zijn weergegeven in de door appellante overgelegde verklaringen en rapportages, onvoldoende heeft betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de beslissing van 13 juni 2012 om aan appellante de in artikel 9, eerste lid, van de WWB vervatte verplichtingen gedeeltelijk op te leggen, wordt het college geacht tevens te hebben geweigerd appellante verdergaand van die verplichtingen te ontheffen wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB.

4.2.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1015) mag op een medisch advies worden afgegaan als het zowel naar wijze van totstandkoming als naar inhoud deugdelijk is. In het geval van appellante heeft het college het advies gevolgd van de verzekeringsarts als vervat in het medisch keuringsrapport van 16 april 2012. De rechtbank heeft geoordeeld dat dat advies niet volledig was, omdat de verzekeringsarts geen kennis had genomen van de bevindingen van de artsen bij wie appellante onder behandeling was. De verzekeringsarts heeft echter hangende het beroep, na kennisname van de bevindingen van I-psy, de revalidatiearts en de fysiotherapeut van appellante, op 12 juni 2013 een nader advies uitgebracht. Zoals uit dat advies blijkt, heeft de verzekeringsarts in de bevindingen van die behandelaars geen aanleiding gezien om zijn eerdere advies te wijzigen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts hiermee het aan het eerdere advies klevende gebrek heeft geheeld. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de verzekeringsarts een onjuiste afweging heeft gemaakt met betrekking tot haar belastbaarheid voor arbeid. Evenmin is er aanleiding het nadere advies van 12 juni 2013 anderszins ondeugdelijk en/of onjuist te achten. De door appellante in hoger beroep overgelegde brief van 30 juni 2014 van een oefentherapeut Mensendieck heeft betrekking op een latere periode dan hier aan de orde is en kan daarom geen rol van betekenis spelen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD