Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
13-4239 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstand. Geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4239 WWB

Datum uitspraak: 7 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2013, 13/203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 17 november 2011 heeft appellant gesproken met een medewerker bij de balie van de Dienst werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam. Appellant heeft op 5 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Bij besluit van

27 januari 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.2.

Appellant heeft zich op 28 augustus 2012 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Op het aanvraagformulier heeft appellant als gewenste ingangsdatum ingevuld

18 november 2011.

1.3.

Bij besluit van 27 september 2012 heeft het college aan appellant met ingang van

28 augustus 2012 bijstand toegekend. Op 28 september 2012 is aanvullend beslist dat de ingangsdatum van de bijstand gehandhaafd blijft op de datum van de melding, omdat bij het besluit van 27 januari 2012 de eerdere aanvraag om bijstand is afgewezen.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 10 december 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het standpunt van appellant dat een eerdere aanvraag om bijstand ten onrechte is afgewezen en dat hij het besluit van 27 januari 2012 niet heeft ontvangen, geen bijzondere omstandigheid oplevert om de bijstand voor de meldingsdatum in te laten gaan. Tevens is meegedeeld dat de bezwaren van appellant tegen het besluit van 27 januari 2012 in een afzonderlijke bezwaarprocedure worden behandeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat van bijzondere omstandigheden die tot een eerdere ingangsdatum van bijstand hadden moeten leiden niet is gebleken. De beoordeling van de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 18 november 2011 (lees: 5 december 2011) behoort in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 27 januari 2012 plaats te vinden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In zijn

leef- en woonomstandigheden - hij moest noodgedwongen op straat leven - zijn volgens appellant bijzondere omstandigheden gelegen om aan hem voorafgaand aan 28 augustus 2012 bijstand toe te kennen. Hij heeft die omstandigheden meerdere keren aan het college gemeld. Het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling van de aanvraag om bijstand per

18 november 2011 thuishoort in een procedure tegen het besluit van 27 januari 2012 is onjuist. Die beoordeling dient in deze procedure te geschieden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 43, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag, of indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststelt. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8362) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het UWV of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.3.

In geschil is of in het geval van appellant sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.2 die rechtvaardigen dat hem met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend over de periode van 18 november 2011 tot en met 27 augustus 2012.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de vraag of de eerdere aanvraag om bijstand al dan niet op goede gronden is afgewezen diende te worden beantwoord in een op het besluit van 27 januari 2012 betrekking hebbende procedure. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 3 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8065, beslist over de aanvraag van appellant om bijstand van 5 december 2011. Als gevolg van deze uitspraak, die onherroepelijk is geworden, is het besluit van 27 januari 2012 in rechte onaantastbaar geworden. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 27 januari 2012 tot 28 augustus 2012 contact heeft gehad met het Uwv of het college in verband indienen van een nieuwe aanvraag om bijstand. Uit de gedingstukken blijkt van een registratie van een contact op 2 januari 2012 en vervolgens pas weer van een registratie van de melding op 28 augustus 2012. De enkele verwijzing van appellant naar zijn toenmalige leef- en woonomstandigheden is onvoldoende om bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.2 aan te nemen.

4.5.

Gelet op wat in 4.4 is overwogen, is geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R.G. van den Berg

MK