Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
14-5719 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen melding te doen van het exploiteren van een hennepkwekerij en de daaruit genoten inkomsten als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5719 WWB

Datum uitspraak: 7 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 september 2014, 14/2445 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 24 februari 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 12 maart 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 20%.

1.2.

Naar aanleiding van informatie van de politie dat op 18 juni 2013 in de door appellant gehuurde woning aan de [adres] een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen, bestaande uit 54 planten, en is ontmanteld, heeft een sociaal rechercheur, werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI), een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is onder meer de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (lees: de Basisregistratie Personen) geraadpleegd, heeft op 21 januari 2014 een gesprek plaatsgevonden met appellant en zijn inlichtingen ingewonnen bij woningbouwvereniging [woningbouwvereniging]. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 22 januari 2014. Uit het onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat de woning van appellant vanaf 22 november 2013 leeg stond, dat appellant vanaf die datum geen vaste woon- of verblijfplaats had in Amsterdam maar alleen een postadres, en dat hij op 5 maart 2014 is geremigreerd naar Suriname.

1.3.

In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien bij besluit van

31 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 maart 2014 (bestreden besluit), de bijstand over de periode van 1 april 2013 tot en met 18 juni 2013 in te trekken, over de periode van 22 november 2013 tot en met 31 december 2013 te herzien en de over die twee periodes ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 2.401,52 van appellant terug te vorderen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met betrekking tot de periode van 1 april 2013 tot en met 18 juni 2013 de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van het exploiteren van een hennepkwekerij en de daaruit genoten inkomsten als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de periode van 22 november 2013 tot en met 31 december 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet tijdig mede te delen dat hij vanaf

22 november 2013 geen vaste woon- of verblijfplaats meer had, zodat hij niet langer recht had op een gemeentelijke toeslag. Als gevolg hiervan heeft appellant volgens het college over die periode een te hoog bedrag aan bijstand ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Samengevat heeft appellant het volgende aangevoerd. Niet bewezen is dat de hennepkwekerij in april 2013 in gebruik is gesteld, zodat de ingangsdatum van de intrekking, 1 april 2013, niet juist is. Indien appellant in de laatste week van maart 2013 is begonnen met de voorbereiding van de kwekerij, dan volgt daaruit nog niet dat er toen al sprake was van inkomsten. Van een professionele hennepkwekerij was geen sprake. Voorts is appellant niet verantwoordelijk voor de te veel betaalde toeslag, omdat hij rond 22 november 2013 al telefonisch had doorgegeven dat hij dakloos was geworden. Dit betekent dat het college nalatig is geweest de bijstandsnorm toen al aan te passen en dat appellant daarom de teveel betaalde toeslag niet dient terug te betalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De periode van 1 april 2013 tot en met 18 juni 2013

4.1.

Vaststaat dat in de woning van appellant op 18 juni 2013 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen die, gelet op de omvang ervan (54 planten), als professionele kwekerij kan worden bestempeld. Voorts staat vast dat appellant van (het opzetten van) die kwekerij geen melding heeft gedaan aan het college. Hiermee is gegeven dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Anders dan appellant heeft betoogd, is hiervan niet pas sprake vanaf het moment dat uit een hennepkwekerij inkomsten worden verworven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9977) worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Appellant is er voorts niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in het geheel geen inkomsten uit of in verband met die kwekerij heeft ontvangen.

4.2.

Wat de startdatum van de (voorbereiding van de) hennepkwekerij betreft, heeft het college redelijkerwijs mogen uitgaan van de verklaring die appellant daarover op 21 januari 2014 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Appellant heeft toen zijn verklaring tegenover de politie bevestigd dat hij de laatste week van maart 2013 met de kwekerij was begonnen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant over de periode van 1 april 2013 tot en met 18 juni 2013 ten onrechte of teveel bijstand heeft ontvangen, omdat hij niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Het college was daarom gehouden de bijstand over die periode in te trekken.

De periode van 22 november 2013 tot en met 31 december 2013

4.4.

Met betrekking tot de herziening van de bijstand over de periode van 22 november 2013 tot en met 31 december 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij al vóór 21 januari 2014, meer specifiek rond 22 november 2013, aan de DWI heeft gemeld dat hij dakloos was. Appellant heeft het tegendeel in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor zijn ook in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat appellant rond 22 november 2013 al telefonisch had doorgegeven dat hij sinds die dag dakloos was. Het college kan dan ook niet worden verweten nalatig te zijn geweest om de bijstandsnorm tijdig aan te passen.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat appellant over de periode van 22 november 2013 tot en met 31 december 2013 ten onrechte een gemeentelijke toeslag van 20% heeft ontvangen. Het college was ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB daarom gehouden de bijstand over die periode te herzien.

4.6.

Gelet op wat in 4.3 en 4.5 is overwogen, was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB voorts gehouden de ten onrechte of te veel betaalde kosten van bijstand terug te vorderen. Met betrekking tot de hoogte van het in totaal teruggevorderde bedrag heeft appellant geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD