Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
13-4085 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen opgave te doen van inkomsten uit arbeid. Geen aanspraak op aanvullende bijstand naast de ontvangen inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4085 WWB, 13/4086 WWB

Datum uitspraak: 7 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 juni 2013, 12/4795 en 12/5582 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft

mr. I. Rhodes zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Namens appellante is verschenen mr. Rhodes. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 november 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal dat appellante inkomsten uit arbeid ontving, heeft het college een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de appellante verleende bijstand en de bijstand per 1 april 2012 opgeschort. In het kader van dit onderzoek heeft het college bij appellante arbeidsovereenkomsten en loonstroken opgevraagd. Daarop heeft appellante bankafschriften en bewijzen van inkomsten en dienstverbanden ingeleverd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellante op 18 oktober 2011 een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan met [BV 1]met als ingangsdatum 11 oktober 2011, en op 20 maart 2012 een arbeidsovereenkomst voor minimaal 18 uren en maximaal 24 uren per week met Huishoudelijke Hulp [BV 2].

1.3.

Bij besluit van 5 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand met ingang van 11 oktober 2011 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat de door appellante vanaf 11 oktober 2011 ontvangen inkomsten uit arbeid meer bedragen dan de voor haar toepasselijke bijstandsnorm, zodat zij vanaf die datum geen recht meer heeft op bijstand.

1.4.

Bij besluit van 30 juli 2012 heeft het college de over de periode van 11 oktober 2011 tot en met 28 februari 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.179,13 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 4 oktober 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2012 gegrond verklaard, de over de periode van 11 oktober 2011 tot en met 31 maart 2012 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd en het terug te vorderen bedrag bepaald op € 6.096,24.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het recht op bijstand per maand wordt vastgesteld, ongeacht het aantal verloonde dagen. Alleen indien appellante, na omrekening van het door haar ontvangen vier-weken salaris naar een maandsalaris onder de bijstandsnorm zakt, heeft zij recht op aanvulling tot de bijstandsnorm. Appellante heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij minder verdiende dan de op haar van toepassing zijne bijstandsnorm en recht had op aanvullende bijstand.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van de door haar ondertekende arbeidsovereenkomsten en van de inkomsten die zij uit de daaruit voortvloeiende arbeid heeft ontvangen. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of appellante naast de door haar ontvangen inkomsten nog aanspraak kon maken op aanvullende bijstand.

4.2.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt hij daar nog het volgende aan toe.

4.3.

Appellante stelt dat haar inkomsten overeenkomstig paragraaf 6.2.3.2 van de destijds geldende werkvoorschriften van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) moeten worden gekort op de bijstand van de betreffende maand, en niet, zoals het college heeft gedaan, moeten worden omgerekend van een vierwekelijks loon naar een maandloon. Uitgaande van de volgens haar juiste berekeningswijze had zij in de hier van belang zijnde periode nog recht op aanvullende bijstand. Appellante heeft verzocht met dit recht rekening te houden bij de bepaling van de hoogte van de terugvordering.

4.4.

De paragraaf van de werkvoorschriften van de DWI waarop appellante een beroep doet, heeft betrekking op verrekening van inkomsten als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de WWB (oud). Ingevolge die bepaling is het college bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand. In de desbetreffende paragraaf staat vermeld dat, als de feitelijke inkomsten bekend zijn, er niet omgerekend wordt naar een maandbedrag, maar dat deze inkomsten worden gekort op de uitkering van de betreffende maand. Die situatie doet zich niet voor. Vast staat immers dat appellante in de periode van 11 oktober 2011 tot en met 31 maart 2012 door haar niet opgegeven middelen heeft ontvangen. Die periode heeft geen betrekking op de periode van drie maanden voorafgaande aan het besluit tot terugvordering. Het college was in dit geval dan ook niet bevoegd tot een verrekening als vorenbedoeld, zodat de desbetreffende paragraaf van de werkvoorschriften van de DWI hier niet van toepassing is.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD