Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
13-4572 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand ten onrechte geblokkeerd en ingetrokken. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten een oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in beroep slaagt. Toekenning schadevergoeding. De gegevens van het waterverbruik op het uitkeringsadres duiden niet op een extreem laag waterverbruik, maar op laag waterverbruik. Van belang is dat de gegevens van het waterverbruik in de periode in geding beïnvloed zijn door een lekkage bij de benedenbuurman. Betrokkene heeft hierdoor een tijdlang geen gebruik kunnen maken van de douche en het toilet. Om die reden is hem een chemisch toilet ter beschikking gesteld. De overige onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden een ontoereikende basis voor de conclusie dat betrokkene ten tijde hier in geding niet woonachtig was op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 4572 WWB, 13/4573 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 20 februari 2013, 10/650 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 juli 2013, 10/650 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. P. Gerritsen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd en nadere stukken ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Namens betrokkene is

mr. Gerritsen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving met ingang van 4 juli 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond tot 20 oktober 2009 ingeschreven op het adres [adres 1] en vanaf die datum op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres). [naam] (Z) woont op het adres [adres 2].

1.2.

Omdat betrokkene bij zijn bijstandsaanvraag in 2008 meerdere malen niet thuis werd aangetroffen bij onaangekondigde huisbezoeken, heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, betrokkene gehoord en een huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd. Daarnaast heeft onder meer een gesprek plaatsgevonden met Z en is een huisbezoek aan haar woonadres afgelegd. Ook zijn waarnemingen verricht nabij de woningen van betrokkene en Z en hebben buurtonderzoeken plaatsgevonden.

1.3.

Het college heeft in afwachting van de uitkomsten van een nader onderzoek bij besluit van 10 december 2009 (besluit 1) de bijstand van betrokkene met ingang van 1 november 2009 geblokkeerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

16 december 2009, nader aangevuld bij een rapport van 14 januari 2010. De onderzoeksresultaten hebben het college aanleiding gegeven om bij besluit van 17 december 2009 (besluit 2) de bijstand van betrokkene met ingang van 1 november 2009 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat betrokkene niet woont op het aan het college opgegeven adres. Betrokkene heeft hiermee zijn inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Betrokkene heeft op 5 november 2009 een aanvraag om bijzondere bijstand gedaan voor verhuis- en inrichtingskosten ter hoogte van € 760,-. Het college heeft bij besluit van

17 december 2009 (besluit 3) de aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene niet woont op het aan het college opgegeven adres.

1.5.

Betrokkene heeft op 12 februari 2010 opnieuw een aanvraag om bijstand gedaan. Door de sociale recherche is vervolgens een onderzoek ingesteld dat bestond uit een gesprek met betrokkene, een huisbezoek, waarnemingen nabij de woning van betrokkene en het opvragen van onderzoek naar de gegevens van het energieverbruik. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 22 februari 2010. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 23 februari 2010 afgewezen op de grond dat betrokkene niet woont op het opgegeven adres. Nadien heeft de sociale recherche nog gegevens van het waterverbruik op het uitkeringsadres opgevraagd en een buurtonderzoek verricht.

1.6.

Het college heeft bij besluit van 11 mei 2010 (bestreden besluit) de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene gedurende de periode van 1 november 2009 tot en met 17 december 2009 niet woonachtig was aan de [uitkeringsadres], maar in Enschede. Daarmee is niet vast komen te staan dat betrokkene de inlichtingenverplichting in deze periode heeft geschonden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door de besluiten 1 en 2 te herroepen en het bezwaar tegen besluit 3

niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts is het college opgedragen een nieuw besluit te nemen inzake de aanvraag om bijzondere bijstand.

3.1.

Het college heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak gekeerd. Het college heeft aangevoerd dat in het geval van betrokkene sprake is van extreem laag waterverbruik dat niet past bij de verklaringen van betrokkene over zijn verblijf in de door hem gehuurde woning. In samenhang met de overige bevindingen van het onderzoek, is volgens het college voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene niet meestentijds verbleef op het door hem opgegeven adres, maar op het adres van Z in [plaats 1].

3.2.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond van betrokkene dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten een oordeel te geven over zijn verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in beroep slaagt. De Raad acht het evenwel niet nodig de zaak op dit onderdeel terug te wijzen naar de rechtbank.

4.2.

In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). In dit geval is er geen aanleiding van deze termijn af te wijken.

4.3.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 31 december 2009 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn drie jaar en ruim zes maanden verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. De behandeling van het bezwaar door het college heeft minder dan zes maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase.

4.4.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de onder 4.2 genoemde uitspraak) is in beginsel bij overschrijding van de redelijke termijn een vergoeding van immateriële schade gepast van

€ 500,- per half jaar dat de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat appellant recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- ten laste van de Staat.

4.6.

De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover de rechtbank niet heeft beslist op het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de Staat veroordelen tot betaling aan betrokkene van vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-.

Hoger beroep van het college

4.7.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 november 2009 tot en met

17 december 2009.

4.8.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Het lag daarom op de weg van het college om aannemelijk te maken dat betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres.

4.9.

Het college is er niet in geslaagd het nodige bewijs te leveren. Anders dan het college, is de Raad van oordeel dat de gegevens van het waterverbruik op het uitkeringsadres niet duiden op een extreem laag waterverbruik, maar op laag waterverbruik. Hierbij is van belang dat de gegevens van het waterverbruik in de periode in geding beïnvloed zijn door een lekkage bij de benedenbuurman. Betrokkene heeft hierdoor van 11 december 2009 tot 11 januari 2010 geen gebruik kunnen maken van de douche en het toilet. Om die reden is hem een chemisch toilet ter beschikking gesteld. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat een laag waterverbruik op zichzelf genomen weliswaar het vermoeden rechtvaardigt dat betrokkene niet op het uitkeringsadres woonachtig is, maar dat dit alleen onvoldoende is om daar de intrekking van de bijstand op te baseren.

4.10.

Ook de overige onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden een ontoereikende basis voor de conclusie dat betrokkene ten tijde hier in geding niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Aan de afgelegde verklaringen van betrokkene en Z kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Niet duidelijk is geworden hoeveel dagen betrokkene daadwerkelijk op zijn uitkeringsadres was en hoeveel dagen hij in [plaats 1] heeft verbleven. Zo heeft betrokkene op 26 november 2009 verklaard dat hij feitelijk in [plaats 1] woont bij zijn vriendin en niet in [plaats 2] in zijn woning. Maar bij hetzelfde verhoor heeft hij ook verklaard dat hij op zijn adres in [plaats 2] verblijft en als hij ziek is of zich niet goed voelt bij zijn vriendin. Z heeft evenmin helderheid verschaft over het aantal dagen dat betrokkene in [plaats 1] zou verblijven. Zo heeft zij op 2 december 2009 verklaard dat betrokkene af en toe bij haar komt, maar zij heeft eveneens verklaard dat hij elke dag op bezoek komt. Het had op de weg van het college gelegen om tijdens de gesprekken met betrokkene en Z op deze onduidelijkheden door te vragen. De waarnemingen die in de periode na 1 november 2009 bij de woning van Z zijn verricht hebben ook geen duidelijkheid verschaft. Zo is de auto van betrokkene weliswaar veelvuldig waargenomen bij de woning van Z, maar is niet waargenomen dat zowel de auto van betrokkene als die van Z bij haar woning staan. De verklaring van Z dat hij soms de auto van Z gebruikte en zijn eigen auto in [plaats 1] liet staan, is met de observaties derhalve niet ontzenuwd. Uit het buurtonderzoek dat in [plaats 1] is verricht is niet op te maken dat betrokkene bij Z inwoont. Ten slotte is uit het op

26 november 2009 verrichte huisbezoek gebleken dat het huis van betrokkene op dat moment nog werd opgeknapt, maar al wel gedeeltelijk was ingericht.

4.11.

Uit 4.7 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep van het college niet slaagt. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dienen te worden bevestigd. Gelet op deze uitkomst en mede gelet op de grondslag van de besluitvorming door het college, is er geen ruimte voor inwilliging van het verzoek van het college om de door de rechtbank uitgesproken herroeping van de besluiten 1 en 2 te wijzigen in een opdracht tot het nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaren van betrokkene tegen die besluiten met het oog op een onderzoek naar de inkomsten van betrokkene in de hier van belang zijnde periode.

5. De Raad ziet aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, welke worden begroot op € 735,-. Tevens bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.225,-. Daarbij zijn de kosten voor het bijwonen van de zitting gelijkelijk over de Staat en het college verdeeld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Hoger beroep van betrokkene:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek van

betrokkene om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op

grond van artikel 6 van het EVRM;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling

aan betrokkene van vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de

proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 735,-;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie) aan

betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.

Hoger beroep van het college:

- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak voor zover

aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.225,-;

- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 497,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.M. Overbeeke en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R.G. van den Berg

IJ