Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2015
Datum publicatie
07-04-2015
Zaaknummer
13-5928 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag toeslag voor gehuwde. Appellant kwam op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, in verbinding met artikel 3 van de TW in de periode in geding niet in aanmerking voor een toeslag voor een gehuwde en evenmin voor een toeslag voor een ongehuwde. Immers, appellant was gehuwd en leefde niet duurzaam gescheiden van zijn echtgenote, die is geboren na 31 december 1971. Terugvordering teveel betaalde toeslag voor een ongehuwde. Het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hem ten onrechte toeslag voor een ongehuwde werd betaald. Appellant was namelijk niet langer ongehuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5928 TW

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 september 2013, 12/1679 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. van Buuren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Sedert 27 juni 2008 ontvangt appellant naast zijn arbeidsongeschiktheids-uitkering een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW), berekend naar de grondslag voor een ongehuwde. Op 4 februari 2011 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat hij in Marokko in het huwelijk is getreden. Bij aanvraag van 20 april 2011 heeft appellant het Uwv verzocht om een toeslag ingevolge de TW, waarbij appellant heeft gemeld dat hij gehuwd is en dat zijn echtgenote op 5 april 2011 naar Nederland is gekomen. Bij besluit van 4 mei 2011 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen.

2. Bij besluit van 17 april 2012 heeft het Uwv, onder verwijzing naar het besluit van

4 mei 2011, aan appellant meegedeeld dat vanaf 19 april 2011 ten onrechte toeslag aan appellant is uitbetaald en dat de teveel betaalde toeslag over de periode van 19 april 2011 tot 1 mei 2012 tot een bedrag van € 4.502,61 van hem wordt teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 18 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat intrekking van het besluit tot toekenning van de in geding zijn de toeslag of beëindiging daarvan nooit heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellant mocht ervan uitgaan dat hij recht had op de hem toegekende toeslag en dat hem ten aanzien van het doorbetalen daarvan niets te verwijten valt.

4.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de toeslag op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW van appellant terecht is teruggevorderd en appellant naar aanleiding van het besluit van 4 mei 2011 had kunnen weten dat hij op grond van zijn veranderde gezinssituatie niet meer in aanmerking kwam voor een toeslag.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Volgens artikel 11a van de TW dient het Uwv een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, te herzien of in te trekken onder meer indien de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW dient de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv te worden teruggevorderd.

5.2.

Appellant kan niet gevolgd worden voor zover hij heeft willen betogen dat het terugvorderingsbesluit in het bestreden besluit door de rechtbank had moeten worden vernietigd op de grond dat een zogenoemd moederbesluit, inhoudend de intrekking van de in geding zijnde toeslag ontbreekt. In het besluit van 17 april 2012 is uitdrukkelijk vastgesteld dat appellant in verband met het huwelijk met W. Rizki geen recht heeft op een toeslag en dat vanaf 19 april 2011 ten onrechte maandelijks toeslag is betaald. Ook het bedrag van de aldus te veel ontvangen toeslag is in dat besluit neergelegd. In het bestreden besluit is dit, in iets verder uitgewerkte vorm, herhaald. Dat appellant het besluit van 17 april 2012 ook op deze wijze heeft opgevat blijkt uit het beroepschrift waarin hij gronden heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit “tot weigering c.q. intrekking c.q. terugvordering” van een uitkering ingevolge de TW.

5.3.

Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 8 en 10 terecht heeft overwogen kwam appellant op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, in verbinding met artikel 3 van de TW in de periode in geding niet in aanmerking voor een toeslag voor een gehuwde en evenmin voor een toeslag voor een ongehuwde. Immers, appellant was gehuwd en leefde niet duurzaam gescheiden van zijn echtegnote, die is geboren na 31 december 1971.

5.4.

Het rechtszekerheidsbeginsel staat niet in de weg aan de toepassing van de in 5.1 vermelde dwingendrechtelijke bepalingen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte toeslag voor een ongehuwde werd betaald over de desbetreffende periode. De toekenning per 27 juni 2008 heeft plaats gevonden naar de leefvorm voor een ongehuwde, zoals vermeld op bladzijde 3 van het toekenningsbesluit. In de in geding zijnde periode was appellant niet langer ongehuwd. Het feit dat appellant, zoals hij heeft gesteld, niets te verwijten valt had evenmin het Uwv ervan moeten weerhouden de toeslag in te trekken en hetgeen onverschuldigd was betaald terug te vorderen.

5.5.

Gelet op hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) R.L. Rijnen

NK