Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2015
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
13-1227 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Het in stand houden van een informele kas bij Gemeentewerken en het gebruiken van gelden daaruit voor doeleinden waarvoor deze niet zijn bestemd. Plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1227 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

24 januari 2013, 11/2035 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Texel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Degelink hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. B.M. Dijkstra, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Degelink. Namens het college zijn verschenen mr. Dijkstra, B. Huisman, A. Kooiman en R. van Menen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is per 1 oktober 2005 aangesteld als hoofd van de afdeling Gemeentewerken van de gemeente [gemeente]. In december 2010 heeft het college geconstateerd dat het handelen van appellant als afdelingshoofd gemeentewerken meermalen zorgde voor politieke spanning. Appellant is vervolgens bij besluit van 7 januari 2011 met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de dienst.

1.2.

Vervolgens heeft het college naar aanleiding van een mededeling van een medewerker administratie over het bestaan van een zwarte of informele kas (hierna: informele kas) bij Gemeentewerken en de daarop volgende vondst van ongeveer € 10.000,- in een kluis bij Gemeentewerken een nader onderzoek ingesteld. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college aan appellant bij besluit van 21 januari 2011 meegedeeld dat het voornemen bestaat hem strafontslag op te leggen en dat hij tot het einde van het dienstverband geschorst blijft. Aan dit voornemen ligt ten grondslag dat uit het onderzoek is gebleken dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim doordat hij betrokken was bij het instellen en instandhouden van de informele kas, het storten van gelden daarin en het gebruiken van gelden voor doeleinden waarvoor deze niet waren bestemd. Appellant had daarin een leidende rol. Verder is aan het voornemen ten grondslag gelegd dat appellant geen rekening heeft gestuurd aan een stichting waar hij bij betrokken was. Voorts heeft appellant volgens het college voor de jaren 2010 en 2011 twee parkeervergunningen aangevraagd op kosten van de gemeente, heeft hij aan teamleider B toegestaan om op kosten van de gemeente onder werktijd zijn vrachtwagenrijbewijs te halen en heeft hij voor de boekjaren 2009 en 2010, zonder voorafgaand mandaat, derden ingehuurd voor een bedrag van ongeveer € 60.000,-. Appellant heeft hierover op 1 februari 2011 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college aan appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 29 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2011 niet-ontvankelijk verklaard en zijn bezwaren tegen de besluiten van 21 januari 2011 en 22 februari 2011 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het college één van de eerder verweten gedragingen niet langer als plichtsverzuim heeft aangemerkt, te weten: de aanvraag van twee parkeervergunningen op kosten van de gemeente.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de handhaving van de schorsingsbesluiten en het ontslagbesluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep - dat zich niet meer tegen de schorsingsbesluiten richt - heeft appellant gronden aangevoerd over het opgelegde strafontslag. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het belangrijkste plichtsverzuim dat het college aan appellant heeft verweten, en dat de rechtbank op zichzelf reeds voldoende grondslag heeft geacht voor het strafontslag, is dat hij betrokken is geweest bij het in stand houden van een informele kas bij Gemeentewerken en het gebruiken van gelden daaruit voor doeleinden waarvoor deze niet zijn bestemd. Appellant was hiervoor als afdelingshoofd verantwoordelijk.

4.2.

Op grond van de beschikbare gegevens is ook voor de Raad komen vast te staan dat appellant de in 4.1 vermelde gedragingen heeft gepleegd. Evenals de rechtbank kent de Raad in dit verband gewicht toe aan hetgeen daarover door appellant zelf is erkend in zijn zienswijze van 1 februari 2011 in reactie op het voornemen tot strafontslag. Uit die zienswijze volgt eenduidig dat appellant in augustus 2009 op de hoogte is geraakt van het feit dat bij Gemeentewerken sprake was van een kluis waarin geld was gestort dat afkomstig was van de verkoop van oude machines en dat hij ermee heeft ingestemd dat met dat geld (in elk geval) een biljarttafel ten behoeve van de medewerkers van Gemeentewerken en een laptop zijn aangeschaft. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat hij met zijn uitlatingen in de zienswijze alleen heeft beoogd de historische toedracht te schetsen, zoals die hem naderhand via-via ter ore zou zijn gekomen, nadat collega’s over de informele kas verklaringen hadden afgelegd. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank over deze verklaring van appellant heeft overwogen.

4.3.

Dat appellant afwist van het bestaan van de informele kas en betrokken was bij opdrachten om daaruit betalingen te doen, kan ook overtuigend worden afgeleid uit diverse verklaringen van medewerkers en teamleiders. Voor zijn stelling dat deze verklaringen onder invloed van een angstcultuur zouden zijn afgelegd heeft appellant geen bewijs aangedragen. Veeleer acht de Raad aannemelijk dat de medewerkers zich na de schorsing van appellant vrij hebben gevoeld om te verklaren over de zaken die hen dwars zaten. Daarbij verdient opmerking dat degenen die kennis hadden van de informele kas hun rol bij de onregelmatigheden niet hebben ontkend, maar wel mede hebben verklaard over de rol en verantwoordelijkheid van appellant. Ook al zou tijdens de bijeenkomst van 18 januari 2011 van de medewerkers van Gemeentewerken met - onder meer - de gemeentesecretaris sprake zijn geweest van een zekere mate van druk om tegen appellant te verklaren, dan kan dat niet afdoen aan de betekenis van diverse later en onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen, onder meer van de medewerker bedrijfsbureau W, de teamleiders B en Van G en de niet meer bij de gemeente werkzame teamleider D, waarin de rol en verantwoordelijkheid van appellant wordt bevestigd. Daar tegenover heeft appellant geen verklaring van enige betrokkene kunnen stellen die hem vrijpleit van verantwoordelijkheid.

4.4.

Appellant heeft voorts onvoldoende bewijs geleverd voor zijn stellingen, dat hij opdracht zou hebben gegeven de informele kas op te heffen en dat het voortbestaan van en de betalingen uit de informele kas uitsluitend aan anderen zou zijn toe te rekenen. De Raad merkt hierbij op dat de eventuele betrokkenheid van anderen niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor zijn plichtsverzuim.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat dit plichtsverzuim op zichzelf beschouwd reeds voldoende grondslag vormt voor het opgelegde strafontslag, zodat de overige ten laste gelegde feiten buiten beschouwing kunnen blijven. Daartoe heeft de Raad het volgende overwogen. Het college hecht terecht groot belang aan een verantwoorde en transparante omgang met gemeenschapsgeld. Het had appellant in zijn functie van afdelingshoofd zonder meer duidelijk moeten zijn dat daarbij niet past dat aan de gemeente toekomende gelden buiten de gemeentekas om worden beheerd. Dit geldt temeer nu het appellant bekend was dat reeds eerder bij Gemeentewerken een einde was gemaakt aan een informele kas. Dat de uit deze informele kas gedane aankopen mogelijk ook uit de formele kas hadden kunnen worden bekostigd, en dat appellant door de aankopen niet zelf is gebaat, zijn factoren die onvoldoende afdoen aan de ernst van het plichtsverzuim om de straf van onvoorwaardelijk ontslag als onevenredig te beoordelen.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en C.H. Bangma en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD