Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2014
Datum publicatie
25-03-2014
Zaaknummer
13-187 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autohandel. Schending inlichtingenverplichting. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van eigen gebruik van de auto’s. Geen administratie of boekhouding van de transacties met auto’s bijgehouden noch anderszins objectieve en verifieerbare gegevens daarover in het geding gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/187 WWB, 13/188 WWB

Datum uitspraak: 11 maart 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van

1 december 2011, 10/3245 (aangevallen tussenuitspraak) en van 27 november 2012, 10/3245 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.D.A. van Boom, kantoorgenoot van mr. Hoogenboom, en mr. Hoogenboom. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 1 juli 1997 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant veel geld verdient met zijn handel in auto’s en verkoop van gestolen goederen heeft de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Team Handhaving, van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft genoemde dienst onder meer dossieronderzoek gedaan, gegevens bij de Dienst Wegverkeer (RDW) opgevraagd en appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 31 maart 2010.

1.3.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 22 april 2010 de bijstand van appellanten over de maanden december 2000, augustus 2002, januari, oktober en december 2003, april en augustus 2005, april en september tot en met december 2006, januari, mei, september en oktober 2007 en maart en juni 2008 herzien (lees: ingetrokken) en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 25.739,62 bruto van appellanten teruggevorderd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant in die perioden transacties met voertuigen heeft verricht, waarvan hij geen opgave heeft gedaan aan het college, met als gevolg dat het recht op bijstand in de genoemde maanden niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 16 augustus 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

22 april 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het besluit van 22 april 2010 gehandhaafd met dien verstande dat in plaats van december 2003 november 2013 moet worden gelezen.

2.1.

In de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college er op grond van de gedingstukken van mocht uitgaan dat appellanten in de maanden genoemd in het besluit van 16 augustus 2010 inkomsten hebben gehad uit handelstransacties met auto’s die zij ten onrechte niet hebben gemeld, met als gevolg dat over die maanden het recht op bijstand niet meer is vast te stellen. De gedingstukken bieden echter geen grondslag voor intrekking van de in de maand september 2006 verstrekte bijstand. Voor zover bij het besluit van

16 augustus 2010 de intrekking van bijstand over die maand is gehandhaafd, berust dat besluit daarom niet op een deugdelijke motivering. Daarmee ontvalt ook de grondslag aan de terugvordering van de kosten van bijstand over die maand en komt het als één geheel te beschouwen besluit om een bedrag van € 25.739,62 van appellanten terug te vorderen voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft het college opgedragen dit gebrek hetzij bij nadere motivering, hetzij bij een nieuwe beslissing op het bezwaar te herstellen.

2.2.

Naar aanleiding van de aangevallen tussenuitspraak heeft het college bij besluit van

27 december 2011 (bestreden besluit) het besluit van 16 augustus 2010 ingetrokken, het besluit van 22 april 2010 herroepen voor zover dat ziet op de intrekking en terugvordering van bijstand over de maand september 2006, de maand december 2003 gewijzigd in november 2003, en de terugvordering nader vastgesteld op € 24.383,84 bruto.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

16 augustus 2010 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de intrekking en de terugvordering in stand heeft gelaten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Blijkens de kentekenregistratie van de RDW hebben in de periode van 18 november 2000 tot en met 23 juni 2008 soms gedurende korte tijd, variërend van enkele dagen tot enkele weken, 26 voertuigen op naam van appellanten gestaan. De registratie van deze voertuigen is in de in het bestreden besluit genoemde maanden geëindigd, het merendeel door aanmelding voor sloop en export. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat met betrekking tot de auto’s transacties hebben plaatsgevonden en dat op de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellanten staat, de datum is waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsvonden.

4.2.

Appellanten betwisten dat appellant ten tijde in geding handelstransacties met auto’s heeft verricht. Het bezit heeft zich over een lange periode uitgestrekt en betreft auto’s overwegend voor eigen gebruik. Soms (ver)kocht appellant wel eens een auto voor familie. Het betrof oude, goedkope auto’s met gebreken die appellant probeerde op te knappen. Als dat niet lukte, dan deed hij de auto van de hand of ruilde die in voor een ander. Het had appellanten daarom redelijkerwijs niet duidelijk hoeven zijn dat het bezit daarvan van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Van een schending van de inlichtingenverplichting is dus geen sprake.

4.3.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van eigen gebruik van de auto’s. Niet gezegd kan worden dat louter sprake is van eigen gebruik, reeds omdat een aantal auto’s enkele dagen tegelijk op naam van appellant hebben gestaan. Appellanten hebben het eigen gebruik met geen enkel bewijs gestaafd en ook anderszins niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat uit onderzoek is gebleken dat appellant beschikt over een garage met twee hydraulische krikken, die is ingericht voor het repareren van auto’s. Verder heeft appellant vanaf 1999 een aantal malen aan de gemeente te kennen gegeven dat hij een autohandelbedrijf zou willen starten. Opmerkelijk is voorts dat in de periode waarin volgens appellant aan hem de rijbevoegdheid was ontzegd, kentekens op de naam van appellante zijn gezet terwijl zij niet over een rijbewijs beschikt.

4.4.

Anders dan appellanten kennelijk menen, betekent het feit dat het gaat om oude auto’s die voor de sloop zijn aangemeld, niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand hebben of kunnen hebben (vergelijk de uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9786). Hoewel appellant in 2004 wel melding heeft gemaakt van het bezit van een auto toen dat in een gesprek aan de orde kwam, heeft hij nagelaten melding te maken van het doorlopende bezit van auto’s en van de transacties met auto’s, die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand. De stelling dat er geen of nauwelijks inkomsten waren en dat daarom van de transacties geen melding hoefde te worden gemaakt, kan niet worden gevolgd, nu de vraag of sprake is van inkomsten of op geld waardeerbare activiteiten) ter beoordeling staat aan het college en niet aan appellanten. Voorts kan de stelling dat er geen of nauwelijks inkomsten waren niet worden gevolgd, omdat appellant geen administratie of boekhouding van de transacties met auto’s heeft bijgehouden noch anderszins objectieve en verifieerbare gegevens daarover in het geding heeft gebracht. De stelling dat appellanten in bewijsnood verkeren omdat het college pas in 2010 stelt dat appellant vanaf 2000 bezig zou zijn geweest met autohandel baat appellanten niet. Door geen melding te maken van het doorlopende bezit van auto’s en van de transacties met auto’s hebben appellanten een risico genomen waarvan de gevolgen voor hun rekening moeten komen.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat appellanten in de transactiemaanden de op hen ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.6.

Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar of bij eventuele rechtsopvolgers van appellanten en naar de eventueel door appellant gerealiseerde verkoopprijzen. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand over de desbetreffende maanden, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene toen in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het is dan aan betrokkene om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende maanden recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Zoals ook al in 4.4 is overwogen, hebben zij geen concrete en verifieerbare gegevens verschaft over de met de transacties verworven inkomsten. Het college heeft daarom terecht geconcludeerd dat het recht van appellanten op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.

4.7.

Het college was daarom op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de transactiemaanden in te trekken. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is in hoger beroep niet bestreden.

4.8.

Met het voorgaande is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid en onder a, van de WWB, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die maanden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien en evenmin dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag onjuist is berekend.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak dienen, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot

JvC