Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:90

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
12-5308 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3108, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht algemene bijstand te verlenen, dat geen garantietoeslag kan worden verleend als geen recht op algemene bijstand bestaat en dat appellante geen recht heeft op langdurigheidstoeslag omdat zij in het eerste deel van de referteperiode nog beschikte over middelen die boven de geldende bijstandsnorm uitgingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5308 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 augustus 2012, 12/1627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Dongen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Voor appellante is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.C. van der Vorst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Aan appellante is in november 2005 met terugwerkende kracht tot 4 augustus 2005 een verblijfsvergunning verleend. Bij besluit van 17 mei 2006 (besluit 1) heeft het college aan appellante met ingang van 9 mei 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is overwogen dat appellante tot 9 mei 2006 via de stichting Vluchtelingenwerk huisvesting en een leefgelduitkering ontving en aldus beschikte over middelen die boven de toepasselijke bijstandsnorm uitgingen. Bij besluit van 3 juni 2010 (besluit 2) heeft het college de op 21 april 2010 ingediende aanvraag om langdurigheidstoeslag over de jaren 2005 tot en met 2010 afgewezen op de grond dat zij wegens ontbrekende woonlasten gedurende een deel van de in aanmerking te nemen referteperiode over een inkomen beschikte dat boven de toepasselijke bijstandsnorm lag.

1.2.

Op 18 april 2011 heeft appellante een aanvraag ingediend om algemene bijstand over de periode van 4 augustus 2005 tot en met 8 mei 2006, een garantietoeslag voormalige eenoudergezinnen over de periode van 1 oktober 2005 tot en met 2 september 2008 en een langdurigheidstoeslag vanaf 4 augustus 2005. Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft het college aan appellante met ingang van 9 mei 2011 een langdurigheidstoeslag toegekend en de aanvraag voor het overige afgewezen. Aan de afwijzing is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht algemene bijstand te verlenen, dat geen garantietoeslag kan worden verleend als geen recht op algemene bijstand bestaat en dat appellante geen recht heeft op langdurigheidstoeslag omdat zij in het eerste deel van de referteperiode nog beschikte over middelen die boven de geldende bijstandsnorm uitgingen. Bij besluit van 6 maart 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2011 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat appellante destijds werd begeleid door een medewerker van de stichting Vluchtelingenwerk, zodat een beroep op onwetendheid met wet- en regelgeving niet opgaat.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, heeft de rechtbank, zo begrijpt de Raad, het beroep tegen het bestreden besluit wat betreft de langdurigheidstoeslag gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het besluit van 4 augustus 2011 in zoverre herroepen en bepaald dat appellante per 22 maart 2010 en per 22 maart 2011 een langdurigheidstoeslag toekomt. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, die rechtvaardigen dat bijstand wordt verleend met een terugwerkende kracht van meer dan vijf jaar.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat wel degelijk sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan alsnog met terugwerkende kracht algemene bijstand, garantietoeslag en langdurigheidstoeslag aan appellante dient te worden toegekend. Daarbij is aangegeven dat het college destijds onder meer door rekenfouten evident onjuiste beslissingen heeft genomen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag

4.1.

De aanvraag van appellante van 18 april 2011 is, wat betreft de algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag, een herhaling van de aanvragen waarop het college bij de in 1.1 vermelde besluiten 1 en 2 heeft beslist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij besluit 1 uitdrukkelijk is overwogen waarom destijds voorafgaand aan 9 mei 2006 geen algemene bijstand is verleend. Deze besluiten zijn inmiddels in rechte onaantastbaar geworden.

4.2.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Er is alleen plaats voor inhoudelijke toetsing voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij de aanvraag is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, is voor een inhoudelijke toetsing geen plaats.

4.3.

Vastgesteld moet worden dat van de zijde van appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn aangevoerd. Wat naar voren is gebracht omtrent bijzondere omstandigheden had immers destijds reeds in de bezwaarfase kunnen worden aangevoerd. Of de oorspronkelijke besluiten kennelijk of evident onjuist zijn, wordt in het midden gelaten omdat aan dat gegeven als zodanig volgens vaste rechtspraak van de Raad in dit kader geen beslissende betekenis toekomt (uitspraak van 4 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9805).

4.4.

De rechtbank heeft wat in 4.2 en 4.3 is overwogen niet onderkend door het bestreden besluit voor zover dit ziet op de algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag inhoudelijk te toetsen. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient in zoverre dan ook met verbetering van gronden te worden bevestigd.

De garantietoeslag voor voormalige eenoudergezinnen

4.5.

De rechtbank heeft in navolging van het college niet onderkend dat de door appellante verzochte garantietoeslag voormalige eenoudergezinnen zich ook uitstrekt over een periode waarover appellante wel recht heeft op bijstand, te weten: de periode van 9 mei 2006 tot en met 2 september 2008. De aangevallen uitspraak komt in zoverre dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 6 maart 2012 in zoverre gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van dat besluit kunnen echter in stand worden gelaten. Daartoe wordt overwogen dat de gemachtigde van het college ter zitting desgevraagd heeft verklaard en toegelicht dat volgens de ter zake geldende gemeentelijke beleidsregels slechts (tijdelijk) aanspraak bestaat op garantietoeslag voormalige eenoudergezinnen als de betrokkene bijstand ontvangt op het tijdstip dat het jongste kind de leeftijd van achttien jaar bereikt. Aangezien appellante op 3 september 2005 (de datum waarop haar jongste kind achttien jaar werd) geen recht had op bijstand was aan deze eis niet voldaan. Appellante kon dus, ook over de hier aan de orde zijnde periode, geen aanspraak maken op deze gemeentelijke garantietoeslag.

Conclusie

4.6.

Uit wat in 4.3 en 4.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en voor zover deze ziet op de algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag met verbetering van gronden dient te worden bevestigd. Uit 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en voor zover deze betrekking heeft op de garantietoeslag voor voormalige eenoudergezinnen, evenals het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd en dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde deel van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 487,- voor kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, voor zover deze ziet op de

garantietoeslag voormalige eenoudergezinnen;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 maart 2012 in zoverre en bepaalt dat de rechtsgevolgen van

het vernietigde deel van het besluit van 6 maart 2012 in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag

van € 487,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) P.J.M. Crombach

HD